De populariteit van landelijk wonen houdt aan, blijkens de woonvoorkeuren van consumenten en de prijsontwikkeling van woningen in bepaalde plattelandsregio’s. Enerzijds voelen kapitaalkrachtige burgers van elders zich aangetrokken tot de rust, de ruimte en het groen van landelijke woonmilieus, anderzijds zoeken plaatselijke starters en ouderen betaalbare huisvesting. Tegen de verwachting in lijkt de strijd om het schaarse wonen op het platteland niet per se door de koopkrachtige stedeling te worden gewonnen.
De populariteit van landelijk wonen houdt aan, blijkens de woonvoorkeuren van consumenten ende prijsontwikkeling van woningen in bepaalde plattelandsregio's. Enerzijds voelenkapitaalkrachtige burgers van elders zich aangetrokken tot de rust, de ruimte en het groen vanlandelijke woonmilieus, anderzijds zoeken plaatselijke starters en ouderen betaalbare huisvesting.Tegen de verwachting in lijkt de strijd om het schaarse wonen op het platteland niet per se doorde koopkrachtige stedeling te worden gewonnen.STRIJD OM DEPLATTELANDSWONING?TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 4 AUGUSTUS 2011ONDERZOEKSDOSSIERDOOR FEMKE DAALHUIZEN, SANNE BOSCHMAN, CAROLA DE GROOT &FRANK VAN DAM, PLANBUREAU VOOR DE LEEFOMGEVINGHet plattelandsbeleid kent zowel sociaal-economische alsruimtelijke doelstellingen. In navolging van vorige kabi-netten en in aansluiting op de Nota Ruimte zet ook hethuidige kabinet zowel in op de vitalisering van de platte-landseconomie en -samenleving als op het "beschermenvan unieke ruimtelijke waarden", al schuift het rijk met de aankomendeStructuurvisie Infrastructuur en Ruimte de verantwoordelijkheid waar-schijnlijk door naar de lagere overheden.1Het woningbouwprogrammawordt als instrument ingezet bij beide uiteenlopende beleidsdoelstellin-gen. Dit leidt tot paradoxale strevingen van enerzijds nieuwbouw beper-ken om verdere verstedelijking van het buitengebied te voorkomen enanderzijds de woningvoorraad uitbreiden om de leefbaarheid van plat-telandssamenlevingen te behouden of zelfs te versterken.Het huidige `migratiesaldo nul'-beleid staat een beperkte verruimingvan de woningvoorraad in plattelandsgemeenten toe, teneinde aan dewoningvraag van woningzoekenden met een lokale binding tegemoet tekomen. "Dit geldt ook voor het landelijk gebied, waar vooral starters enouderen moeite hebben aan een geschikte woning te komen, waardoorde sociale samenhang onder druk komt te staan", zo stelt de Nota Ruim-te. Impliciet wordt daarmee aangenomen dat het (beperkt) verruimenvan de woningvoorraad de lokale bevolking, met name starters en oude-ren, daadwerkelijk de mogelijkheid biedt in de eigen woonkern te blij-ven. Maar wat als de vraag naar woonruimte ter plaatse niet alleen vanuitde lokale bevolking, maar ook van elders en zelfs van buiten de regiokomt? In regio's die aantrekkelijk zijn voor mensen van elders betekenthet uitgangspunt `migratiesaldo nul' mogelijk dat lokale woningzoeken-den uit de markt worden geprijsd. Want waar aan toewijzing van socialeIneenweilandbijhetdorpEderveenkunje,afgaandopditbord,jeeigendroomvillalatenbouwen(Foto Bert Spiertz / Hollandse Hoogte)48TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 4 AUGUSTUS 2011ONDERZOEKSDOSSIERhuurwoningen voorwaarden van onder meer lokale binding te stellenzijn, bestaat er voor (de plaatselijk schaarse) koopwoningen een vrijemarkt.De vraag kan dan ook worden gesteld in hoeverre het restrictieve ruimte-lijk beleid heeft geleid tot een proces van verdringing op het platteland.Bij de beantwoording van deze vraag gaat de aandacht specifiek uitnaar de gevolgen van de spanning op de woningmarkt voor de omvangen richting van verhuisstromen en de daaruit mogelijk voortvloeiendeveranderingen in de bevolkingssamenstelling ? naar inkomen - van plat-telandsregio's.2Het huidige `migratiesaldo nul'-beleid staat eenbeperkte verruiming van de woningvoorraad inplattelandsgemeenten toe, teneinde aan dewoningvraag van woningzoekenden met een lokalebinding tegemoet te komen.TER VERGELIJKING: ENGELANDDit beleidsdilemma's is niet uniek voor Nederland. Ook in het Engelsebeleid doet zich een vergelijkbare spanning tussen landschapsbehoud ensociaal-economische vitalisering voor. In het maatschappelijke debat enhet huisvestingsbeleid bestaat al decennialang aandacht voor (no) homesfor locals en tegelijkertijd environmental sustainability. In de praktijk bete-kent dit dat - net als in Nederland - teneinde het landschap te vrijwarenvan verdere verstedelijking, de mogelijkheden voor fysieke uitbreidingvan de woningvoorraad beperkt zijn. Zo is meer dan 30 procent van hetEngelse platteland bestemd als nationaal park, waardevol landschap ofgroene buffer en ook voor het resterende deel van het platteland geldtoverwegend een restrictief planologisch regime. Tegelijkertijd zoekensteeds meer stedelingen een permanente of tweede woning op het plat-teland. Net als in Nederland is er in Engeland sprake van een sterke`rurale idylle'.3Vanwege de resulterende spanning op lokale woning-markten is daarom de beleidsdoelstelling `bouwen voor de eigen bevol-king' in het leven geroepen, in het bijzonder om aan de woningvraag vankwetsbare bevolkingsgroepen tegemoet te komen. Sociale woningbouwis met een aandeel in de woningvoorraad van 15 procent ondervertegen-woordigd op het platteland en bovendien ruimtelijk ongelijk verdeeld.Tegelijkertijd hecht de Engelse overheid grote waarde aan gemengdegemeenschappen met plaats voor de lokale bevolking, waarbij op hetplatteland sociale huisvesting wordt beschouwd als het middel om ditdoel te bereiken.4Wat dat betreft zijn de situaties in Engeland en Neder-land goed vergelijkbaar.Op het eerste gezicht biedt de door het restrictieve beleid gecre?erdeschaarste economische baten voor een beperkte groep lokale inwoners,namelijk diegenen die het betreffende schaarse goed reeds bezitten enbeheren. Huiseigenaren die hun huis verkopen, profiteren immers vande opgestuwde huizenprijzen. Maar starters op de woningmarkt onder-vinden juist hinder van oplopende huizenprijzen; evenals huiseigenarenzonder verhuisplannen die zich geconfronteerd zien met stijgende loka-le lasten, voortkomend uit de waardestijging van hun woning. Engelseonderzoekers suggereren zelfs dat op den duur de prijsopdrijvendewerking die uitgaat van de rurale idylle de lokale gemeenschap zelfs zoukunnen ontwrichten, omdat met name starters niet langer zelfstandigeen plek op de plaatselijke woningmarkt weten te verwerven.5Als gevolg van concurrentie om de schaarse plattelandswoningen zienlokale bewoners, in het bijzonder starters, zich soms genoodzaakt hetplatteland te verlaten. Dit proces van verdringing lijkt de reeds bestaan-de sociaal-economische verschillen tussen stad en platteland verderte versterken. Delen van het Engelse platteland lijken te veranderen inenclaves voor de rijkere happy few.6Wij onderzochten in hoeverre dat inNederland ook het geval is.REGIONALE DRUKVERSCHILLENOm de druk op de woningmarkt te bepalen, hebben we plattelands-regio's onderscheiden naar prijsniveau van de koopwoningen. Hetprijsniveau is immers de resultante van aanbod en vraag, of met anderewoorden een indicatie van de aantrekkelijkheid van een regio. Dit heb-ben we bepaald per viercijferig postcodegebied.7,8Hoge drukgebiedenzijn die postcodegebieden waar de gemiddelde transactieprijs hoger ligtdan gemiddeld over alle plattelandsgebieden; in lage drukgebieden ligtde gemiddelde transactieprijs van woningen onder het gemiddelde vanalle plattelandsgebieden. Hoge drukgebieden beslaan grofweg de peri-urbane gebieden en aantrekkelijke landschappen zoals de duinstrook,terwijl lage drukgebieden over het algemeen meer perifeer liggen (ziefiguur 1).De druk op de woningmarkt is mogelijk van invloed op de (gemeen-telijke) strategie van uitbreiding van de woningvoorraad en daarmeeverder richtinggevend aan de aard en omvang van verhuisstromen. Zokan bijvoorbeeld in lage drukgebieden met een goedkope woningvoor-raad het lokaal woningbouwbeleid een instrument zijn om met de bouwvan dure woningen doelbewust nieuwkomers van elders aan te trekken.Andersom kunnen in hoge drukgebieden de woningen die specifiek49voor de lokale bevolking zijn gebouwd alsnog worden ingenomen doorkapitaalkrachtiger nieuwkomers, waardoor de lokale bevolking wordtverdrongen.Om de relatie te leggen tussen druk op de woningmarkt en verhuisstro-men van, naar en binnen het platteland, is deze indeling van plattelands-gebieden naar druk op de woningmarkt vervolgens gekoppeld aan gege-vens uit het Sociaal Statistisch Bestand (SSB) van het CBS. In het SSB isvoor elk jaar (1999-2005), van alle Nederlanders bekend waar ze woondenen wat op dat moment hun inkomen en huishoudensituatie was. Metdeze gegevens kunnen individuen en huishoudens worden gevolgddoor de tijd en de ruimte. Daarmee kan in beeld worden gebracht wie erverhuizen van en naar plattelandsregio's met een verschillende druk opde woningmarkt en wat hun inkomen is. Vergelijking van de instroommet de uitstroom geeft inzicht in de replacement selectivity, met anderewoorden in de mate waarin de instroom anders is dan de uitstroom,bijvoorbeeld naar inkomen.9SELECTIEVE VERHUISSTROMENVooral hoge drukgebieden zijn (per definitie) aantrekkelijk voor mensenvan elders, waardoor vooral in deze gebieden het restrictieve beleid kanleiden tot verdringing van bewoners van de lokale woningmarkt. Hetblijkt echter dat zowel in hoge als in lage drukgebieden 85 procent vande bewoners in 2005 nog in dezelfde gemeente woont als in 1999. 70procent van de bewoners van hoge druk gebieden en 67 procent van debewoners van lage druk gebieden is zelfs helemaal niet verhuisd in deperiode 1999-2005. Bovendien blijkt uit ander onderzoek dat ook in hogedrukgebieden lokale plattelandsbewoners nog altijd beter in staat zijnhun woonwens in de eigen gemeente te realiseren dan degenen die zichvan buitenaf in deze gemeenten hadden willen vestigen.10Onze analysevan de herkomst van verhuizers naar het platteland bevestigt dit, maartoont tevens verschil in druk op de woningmarkt aan. Hoewel verhui-zers vooral uit de eigen gemeente komen en de instroom vanuit de stadbeperkt blijft, is deze in hoge drukgebieden omvangrijker dan in lagedrukgebieden (zie figuur 2).Ook blijkt dat zodra plattelandsbewoners verhuizen, ze in hoge drukge-bieden iets minder vaak een woning binnen de eigen gemeente betrek-ken, al zijn de verschillen gering (52 procent tegenover 54 procent in lagedruk gebieden). Deze verhuizers vanuit hoge druk regio's komen ietsvaker terecht in het stedelijk gebied, dan verhuizers vanuit lage drukregio's (zie figuur 3).InkomenssegregatieHuishoudens die naar plattelandsgebieden met een hoge druk op dewoningmarkt verhuizen, zijn gemiddeld rijker dan huishoudens dienaar lage druk gebieden verhuizen (zie figuur 4). In het algemeen geldtdat verhuizers met een stedelijke herkomst een hoger inkomen hebbendan degene die vanuit het platteland naar dezelfde regio verhuizen, alzijn de inkomensverschillen tussen de instroom vanuit de stad en hetplatteland geringer in lagedrukregio's. Verhuizers die binnen de eigengemeente naar het platteland verhuizen hebben de laagste inkomens 11.Van huishoudens die vertrekken uit plattelandsgebieden hebben dehuishoudens die naar de grote steden verhuizen de laagste inkomens(zie figuur 5). Verhuizers vanaf het platteland naar hoge druk gebiedenhebben de hoogste inkomens, gevolgd door het inkomen van verhuizersvanaf het platteland naar lage druk gebieden en verhuizers binnen deeigen gemeente. Al wordt een groot deel van dit inkomensverschil ver-klaard door de leeftijd en huishoudenssamenstelling (levensfase) van devertrekkers en vestigers. Jonge alleenstaanden vertrekken en gezinnen(vaak tweeverdieners) vestigen zich.12Deze eerste inventarisatie wijst uit dat het gemiddelde inkomen in hogedrukgebieden dat van de lage drukgebieden overstijgt, zowel wat inko-mende als wat uitgaande verhuisstromen betreft. Kijkend naar inkomendeverhuisstromen, vestigen zich in plattelandsgebieden met een hoge drukop de woningmarkt huishoudens met een hoger inkomen dan gemiddeld,in plattelandsgebieden met een lage druk op de woningmarkt is het inko-men van nieuwkomers vergelijkbaar met het inkomen van degenen die eral wonen. Voor de uitgaande verhuisstromen geldt dat vanuit alle platte-landsgebieden relatief arme huishoudens vertrekken.Jongeren die naar de stad trekken blijkenveel jonger te zijn dan jongeren die binnenhet platteland verhuizenDeze analyse suggereert ten eerste dat de plattelandsgebieden methoge druk op de woningmarkt hun inkomensvoorsprong vergroten tenopzichte van de lage drukgebieden; ten tweede wekt het feit dat de laag-ste inkomens vertrekken naar de stad, terwijl daar de hoogste inkomensjuist naar het platteland trekken, de indruk dat de inkomenssegregatietussen stad en land toeneemt. Figuur 6 laat evenwel zien dat er nauwe-50TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 4 AUGUSTUS 2011ONDERZOEKSDOSSIERFiguur 1 De druk op de woningmarkt op het Nederlandse platteland, per postcodegebied(1999-2005)Bron: Ministerie van VROM-WWI (SysWov 2009, bewerkte gegevens)lage drukhoge drukplatteland onvoldoende transactiesoverig stedelijk gebiedoverig G31G4lijks verschillen zijn in gemiddelde inkomensontwikkeling tussen hetplatteland en de stad. Plattelandsgebieden vertonen onderling eveneensgelijke ontwikkelingspatronen, zij het dat deze zich op een verschillendinkomensniveau bevinden. Hoewel de verhuisstromen tussen regio'sdus selectief naar inkomen zijn, leidt dit niet tot een toenemende inko-menssegregatie tussen stad en land en plattelandsgebieden onderling.De verklaring hiervoor ligt in de corrigerende werking van de inkomens-ontwikkeling die huishoudens ter plaatse doormaken.13Huishoudens die het platteland verlaten hebbengemiddeld een lager inkomen dan het gemiddeldinkomen van de vertrekregio, en andersom hebbende nieuwkomers vanuit de stad gemiddeld eenhoger inkomen dan het gemiddelde inkomen vande vestigingsregio.StartersDe druk op de lokale woningmarkt is vooral van belang voor groepen diemin of meer gedwongen moeten verhuizen, zoals ouderen met een ver-slechterende gezondheid en starters op de woningmarkt. De verhuisdy-namiek van deze groepen wordt in internationale studies vaak als indi-cator van verdringing of replacement selectivity beschouwd. Met namevoor jongeren die nog thuis wonen, is het moeilijker een eigen woning tebemachtigen naarmate de druk op de lokale woningmarkt groter is. Zijmoeten concurreren om de schaarse aangeboden woningen op de lokalewoningmarkt met mensen die vanuit de stad of andere regio's naar hetplatteland willen verhuizen.Een groot deel van de jongeren uit plattelandsregio's die zelfstandiggaan wonen, vestigt zich binnen de eigen woongemeente; in lage drukregio's vaker dan in hoge druk regio's (40 vs 36 procent) (zie figuur 7).Dit kan erop duiden dat jonge starters als gevolg van hoge druk op dewoningmarkt inderdaad vaker moeten uitwijken naar andere gemeen-ten of naar de stad. Vanuit de plattelandsgebieden met hoge druk op dewoningmarkt vertrekken wat meer jonge starters naar de grote stedendan vanuit plattelandsgebieden met een lage druk op de woningmarkt,hetgeen kan duiden op verdringing van jongeren door rijkere nieuw-komers. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat plattelandsgebiedenmet een hoge druk op de woningmarkt over het algemeen gelegen zijnin de nabijheid van grote steden, dit in tegenstelling tot lage drukge-bieden. In combinatie met het gegeven dat mensen voornamelijk overkorte afstand verhuizen, kan de geografische ligging mede verklarendat jongeren uit hoge drukgebieden vaker naar de grote steden vertrek-ken.Naast geografische ligging, is uiteraard het verhuismotief bepalend inde locatiekeuze. De verwachting is dat jongeren die naar de grote ste-den trekken, vaker op jonge leeftijd het huis verlaten om zelfstandig tegaan wonen, bijvoorbeeld voor het volgen van een opleiding. Jongerendie binnen hun eigen regio het ouderlijk huis verruilen voor een eigenwoning, gaan pas op latere leeftijd uit huis, bijvoorbeeld om te gaansamenwonen, en hebben dan reeds hogere inkomens. Daartegenoverstaat dat jongeren die binnen hun eigen regio verhuizen vaker toegangzullen hebben tot sociale huurwoningen, vanwege hun sociaal econo-mische binding. Ook zullen zij beschikken over meer of betere kennisover het beschikbare aanbod aan goedkopere huizen, terwijl dit voornieuwkomers minder toegankelijke informatie is. Hierdoor zouden ookjongeren met lage inkomens kunnen slagen op de lokale woningmarkt.De inkomensverschillen tussen jongeren die naar de stad verhuizen(lager inkomen), naar het platteland verhuizen of binnen de eigengemeente verhuizen (hoger inkomen) kunnen deels worden verklaarddoor de verschillen in leeftijd bij uit huis gaan en de huishoudensa-menstelling na uit huis gaan. Jongeren die naar de stad trekken blijkenveel jonger te zijn dan jongeren die binnen het platteland verhuizen(figuur 8). Bovendien gaan jonge starters die vanaf het platteland naarde grote steden verhuizen veel vaker alleen wonen dan jongeren die ophet platteland blijven wonen. Ook blijkt dat jongeren die binnen de eigengemeente verhuizen op een latere leeftijd uit huis gaan. Jonge startersdie binnen de eigen gemeente verhuizen zijn in hoge drukgebiedenbovendien ouder dan in lage drukgebieden. Dit bevestigt ons vermoedendat jongeren die een woning binnen de eigen gemeente zoeken in hogedrukgebieden het uit huis gaan uitstellen totdat zij voldoende inkomenhebben om een woning te bemachtigen op de krappe lokale woning-markt.TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 4 AUGUSTUS 2011ONDERZOEKSDOSSIER 51 vanuit G4 vanuit G31 vanuit overig stedelijk gebied vanuit hoge druk vanuit lage druk binnen eigen gemeente vanuit G4 vanuit G31 vanuit overig stedelijk gebied vanuit hoge druk vanuit lage druk binnen eigen gemeenteLage druk (N=829675)Lage druk (N=841667)Hoge druk (N=713989)Hoge druk (N=711718)100%80%60%40%20%0%100%80%60%40%20%0%Figuur 2 Herkomst van verhuizers naar plattelandsgebieden.Bron: CBS (SSB, 2009); bewerkte gegevensFiguur 3 Bestemming van verhuizers vanuit plattelandsgebieden.Bron: CBS (SSB, 2009); bewerkte gegevensKortom, jonge starters slagen er in plattelandsgebieden met een lagedruk op de woningmarkt vaker in om een woning te vinden binnen deeigen regio dan in gebieden met hoge druk op de woningmarkt. Jonge-ren die er in slagen een woning binnen de eigen regio te bemachtigenhebben een relatief hoog inkomen en gaan op latere leeftijd uit huis. Ingebieden met een hoge druk op de woningmarkt zijn jongeren die bin-nen de eigen regio slagen het rijkst en het oudst. Mogelijk stellen zij hetuit huis gaan uit, totdat hun inkomen hoog genoeg is om een woning opde krappe lokale woningmarkt te bemachtigen.CONCLUSIESHet aandeel mensen dat in 2005 nog in dezelfde plattelandsgemeentewoont als in 1999 is in hoge drukgebieden niet anders dan in lage druk-gebieden. Het in beleidskringen bestaande idee dat lokale bewonersvan aantrekkelijke regio's worden verdrongen door instroom uit de stadwordt in kwantitatief opzicht dus niet bevestigd. Wel blijkt dat bewonersvan hoge druk gebieden, ?ls ze verhuizen, minder vaak binnen de eigengemeente blijven. Mogelijk compenseren bewoners van hoge druk gebie-den het niet kunnen vinden van een woning binnen de eigen gemeenteook met simpelweg minder vaak verhuizen.De verhuisstromen van de stad naar het platteland en andersom zijnselectief. Huishoudens die het platteland verlaten hebben gemiddeldeen lager inkomen dan het gemiddeld inkomen van de vertrekregio, enandersom hebben de nieuwkomers vanuit de stad gemiddeld een hogerinkomen dan het gemiddelde inkomen van de vestigingsregio. Voorplattelandsregio's met een hoge druk op de woningmarkt geldt dit nogin grotere mate dan voor de regio's met weinig spanning op de woning-markt. Ondanks deze selectieve verhuisstromen zijn er nauwelijksverschillen in de inkomensontwikkeling tussen de verschillende regio's.De selectiviteit in verhuisstromen wordt gecompenseerd door de inko-52TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 4 AUGUSTUS 2011ONDERZOEKSDOSSIER vanuit G4 vanuit G31 vanuit overig stedelijk gebied vanuit hoge druk vanuit lage druk binnen gemeente G4 G31 overig stedelijk gebied stad totaal platteland lage druk platteland hoge druk platteland totaal vanuit G4 vanuit G31 vanuit overig stedelijk gebied vanuit hoge druk vanuit lage druk binnen gemeenteLage drukLage drukHoge druk 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005Hoge druk400003500030000250002000015000100005000030000290002800027000260002500024000230002200035000300002500020000150001000050000Figuur 4 Gemiddeld inkomen van verhuizers naar plattelandsgebiedenBron: CBS (SSB, 2009); bewerkte gegevensFiguur 6 Inkomensontwikkeling in plattelandsregio's en stedelijke gebieden 1999-2005Bron: CBS (SSB, 2009); bewerkte gegevensFiguur 5 Gemiddeld inkomen van verhuizers vanuit plattelandsgebiedenBron: CBS (SSB, 2009); bewerkte gegevens vanuit G4 vanuit G31 vanuit overig stedelijk gebied vanuit hoge druk vanuit lage druk binnen eigen gemeenteLage druk (N=216062) Hoge druk (N=198416)100%80%60%40%20%0%Figuur 7 Nieuwe woonplek van uit huisgaande jongeren vanuit plattelandsregio'sBron: CBS (SSB, 2009); bewerkte gegevensStarters die erin slagen binnen de eigen gemeente te verhuizen hebben in hoge drukgebieden een hogergemiddeld inkomen dan in lage drukgebiedenmensontwikkeling die huishoudens ter plaatse doormaken.Er zijn echter signalen die wellicht speciale aandacht voor kwetsbaregroepen rechtvaardigen. Zo vinden starters minder vaak een woningbinnen de eigen gemeente naarmate de druk op de woningmarkt hogeris. Starters die erin slagen binnen de eigen gemeente te verhuizen heb-ben in hoge drukgebieden een hoger gemiddeld inkomen dan in lagedrukgebieden. De combinatie met het feit dat jongeren in hoge druk-gebieden bovendien op latere leeftijd uit huis gaan, suggereert dat dezejongeren het uit huis gaan uitstellen, totdat zij voldoende inkomenhebben vergaard om een woning op de krappere lokale woningmarkt tebemachtigen.Onze analyses wijzen niet op een geleidelijke verdringing van lokalebewoners door rijkere nieuwkomers op het platteland. Er is ook geensprake van toenemende inkomensverschillen tussen plattelandsregio'sonderling of tussen plattelandsregio's en stedelijke regio's. Het res-trictieve planologische beleid lijkt dus niet van directe invloed op debevolkingssamenstelling in populaire plattelandsgebieden. Daarmee iser geen aanleiding gevonden om het restrictieve planologisch regime,dat als gevolg van de ingezette decentralisatie vooral in provinciale engemeentelijke handen komt te liggen, omwille van sociale beweegrede-nen te versoepelen. Wel blijft aandacht nodig voor kwetsbare groepen opde landelijke woningmarkt, zoals starters en ouderen, al is het maar omte voorkomen dat bepaalde plattelandsgebieden alleen nog maar wordenbewoond door de happy few.Noten1 Ministerie van IenM (2010), Beleidsbrief Infrastructuur en Milieu. Den Haag:Ministerie van IenM.2 Het effect daarvan op de sociale samenhang binnen plattelandsgemeenschap-pen laten we hier buiten beschouwing.3 Zie bijvoorbeeld Dam, F. van, S. Heins & B.S. Elbersen (2002), Lay discourses ofthe rural and stated and revealed preferences for rural living. Some evidence ofthe existence of a rural idyll in the Netherlands, Journal of Rural Studies 18: 461-476.4 Zie bijvoorbeeld Hoggart, K. & S. Henderson (2005), Excluding exceptions:Housing non-affordability and the oppression of environmental sustainability?Journal of Rural Studies 21, pp.181-196.5 McGrath, B. (2001), "A problem of resources": defining rural youth encounters ineducation, work and housing. Journal of Rural Studies 17, pp. 481-495.6 Zie noot 27 De gemiddelde woningprijs en prijsstijging per postcodegebied is bepaald aan dehand van de woningtransacties in het postcodegebied. Landelijke postcodege-bieden met te weinig transacties zijn samengevoegd met aangrenzende landelij-ke postcodegebieden, waarna de gemiddelde prijs en prijsstijging in het groteregebied bepaald zijn. Postcodegebieden die niet konden worden samengevoegd(omdat ze omringd zijn door stedelijk gebied) of waar ook na samenvoeging metomringende gebieden sprake was van te weinig transacties om een zinvol gemid-delde te bepalen, zijn weggelaten uit de analyses.8 Landelijke postcodegebieden (CBS stedelijkheidsgraad 4 en 5) bestaan gemid-deld voor 2,5% van het oppervlak uit bedrijventerrein en voor 84,1% uit water,landbouw, bos en natuur. Landelijke postcodegebieden die voor 19,5% of meer uitbedrijventerrein bestaan (en daarmee meer dan 2 keer de standaarddeviatieafwijken) en/of voor minder dan 46,9% uit water, landbouw, bos en natuurbestaan (en daarmee minstens 2 keer de standaarddeviatie afwijken van hetgemiddelde aan groen/blauw) zijn buiten beschouwing gelaten. Het betreft ondermeer Schiphol en de Eemshaven.9 In Engeland is vrij veel onderzoek naar replacement selectivity verricht doorLewis. Zie bijvoorbeeld Lewis, G. (1998) Rural migration and demographic change,in B. Ilbery (ed.) The geography of rural change, Harlow: Longman, pp. 131-160.Zie ook Dam, F. van (2000), Revealed and stated preferences for rural living.Evidence from the Netherlands. In: T. Haartsen, P. Groote & P.P.P. Huigen (eds),Claiming rural identities. Dynamics, contexts, policies. Assen: Van Gorcum, pp.80-91.10 Groot, C. de, F.B.C. Daalhuizen, F. van Dam & C. H. Mulder (in review), Rurality forthe Happy Few? The realisation of rural location preferences in the Netherlands.Journal of Rural Studies.11 Binnen een gemeente kunnen zowel plattelandsgebieden met hoge druk, lagedruk als stedelijke gebieden liggen. De categorie binnen de gemeente omvat aldeze groepen, de andere categorie?n bevatten dus alleen mensen die buiten deeigen gemeente verhuizen. De groepen die binnen de gemeente naar een andereregio verhuizen zijn echter klein, 86% van de verhuizers binnen de gemeente naareen lage druk regio komt ook uit een lage druk regio, voor hoge druk regio's is dat84%.12 Zie noot 9 en vergelijk Planbureau voor de Leefomgeving (2010) Nieuwbouw, ver-huizingen en segregatie. Effecten van nieuwbouw op de bevolkingssamenstellingvan stadswijken, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving. Zie ookHooimeijer, P. & R. Nijstad (1996) De Randstad als `roltrap-regio'. Geografie 5/2,pp. 5-8.13 Zie Planbureau voor de Leefomgeving (2010) (zie noot 12) voor een vergelijkbaareffect in stedelijke aandachtswijken. Zie ook Van Dam (2000) (zie noot 9) en VanDam et al. (2002) (zie noot 3)14 De grafiek geeft de leeftijd in 2005 weer van jongeren die in 1999 nog thuis woon-den en in 2005 het ouderlijk huis hebben verlaten.TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 4 AUGUSTUS 2011ONDERZOEKSDOSSIER 53 vanuit G4 vanuit G31 vanuit overig stedelijk gebied vanuit hoge druk vanuit lage druk binnen gemeentevanaf lage druk vanaf hoge druk292827262524232221Figuur 8 Leeftijd van uit huis gaande jongeren vanuit plattelandsregio's naarvestigingsregio14Bron: CBS (SSB, 2009); bewerkte gegevens
Reacties