Kennisnetwerk over de leefomgeving

De spannende hoekjes
Martijn Eskinasi, Frank van Dugteren

woe 24 april 2019
artikel

Het WoON-bestand wordt veel gebruikt voor belangrijke publicaties over de woningmarkt. Over beschikbaarheid, betaalbaarheid, steden, krimpgebieden, regionale verschillen, jongeren, ouderen, middengroepen, noem maar op. Toch blijven allerlei 'kleine' onderwerpen onderbelicht. Vaak zijn dit 'niche' onderwerpen, verbonden met specifieke onderzoeksmethoden. Maar soms zijn het hele fundamentele onderwerpen die zomaar aanleiding kunnen zijn voor een compleet proefschrift. In dit artikel worden zes van zulke voorbeelden kort belicht.

Wie vaak met het WoON werkt, weet wat hvs=1 betekent. De huisvestingssituatie (HVS) is een belangrijke selectievariabelen in het WoON. Er wordt onderscheid gemaakt naar huishoudens in zelfstandige woningen, zelfstandige-/onzelfstandige wooneenheden, bewoonde andere ruimtes, en inwonende huishoudens. In de meeste analyses wordt vooral gekeken naar huishoudens in zelfstandige woningen. Dat is ook logisch als je naar thema’s als betaalbaarheid en verhuiswensen kijkt voor het opstellen van de gemeentelijke woonvisie. Maar buiten de gewone woningen vinden we nog de wereld van de Bewoonde Andere Ruimtes (BAR): een woonverblijf dat niet aan de woningdefinitie van het CBS voldoet. Een woonschip, woonwagen, caravan, zomerhuis, woonkeet, barak en dergelijk. Voor de onderzoekers onder ons: we hebben select if hvs=4 gedaan.
Volgens WoON2018 wonen er bijna 41.000 huishoudens in BAR. De helft van de bewoners van een BAR zijn alleenstaanden: bij de reguliere woningvoorraad is dat maar 38%. Misschien verwacht je in BAR vooral jongeren in de allereerste stap van hun wooncarrière, maar WoON2018 vertelt een ander verhaal. Juist de leeftijdsgroepen tussen de 45 en 74 zijn oververtegenwoordigd. Onder de bewoners van een BAR zien we ook meer zelfstandige ondernemers en mensen met een uitkering, en daarentegen weinig studenten en mensen in loondienst. Wonen in BAR komt relatief veel in de drie noordelijke provincies voor, maar minder in het zuiden en in de grotere steden. Ten opzichte van gewone huizen zien we veel hele kleine, maar ook veel juist hele grote woonruimten: bewoonde andere ruimten kennen dus veel variatie in grootte. En ook bij de WOZ-waarden zien we veel meer variatie in de BAR. Huurprijzen weten we helaas niet.
En wat vinden de bewoners zelf van hun huisvestingssituatie? Is het wonen in een bewoonde andere ruimte een noodgreep of een bewuste keuze? 11% van de BAR-bewoners zegt beslist binnen twee jaar te willen verhuizen, tegenover 8% van bewoners in reguliere huizen. Dat cijfer zou gecorrigeerd moeten worden voor het feit dat er weinig jongeren tussen zitten, die in het algemeen veel vaker willen verhuizen dan andere huishoudenstypen. De gemiddelde woonduur van BAR-bewoners is iets korter dan van bewoners van gewone huizen, maar ook niet heel veel. Waar die wat hogere verhuisgeneigdheid door veroorzaakt wordt, hebben we helaas nog niet in WoON2018 kunnen achterhalen. Een groter percentage van de BAR-bewoners is, in vergelijking met bewoners van gewone huizen, juist zeer tevreden met de woonruimte. Ook over de woonomgeving blijken bewoners van BAR over het algemeen tevreden tot zeer tevreden te zijn. Kortom, er is een kleine groep met nogal uiteenlopende woonsituaties, die over het algemeen qua woontevredenheid beslist niet onderdoet voor bewoners van gewone woningen.

Klein, kleiner, kleinst?

Klein wonen is een ontwikkeling met meerdere gezichten, zo bleek eerder al uit een artikel over Tiny Houses in Almere in Ruimte +  Wonen #2 uit 2018. Sommige bewoners hebben bepaalde idealistische overwegingen om in een tiny house te wonen. Anderen willen meer tijd, geld en ruimte overhouden voor andere zaken en voor sommigen is het gewoon een noodzaak.
In WoON2018 vinden we circa 340 duizend bewoners van zelfstandige woningen onder de 50m2. Het merendeel daarvan zit net onder de 50m2 : kleiner dan 40m2 wonen 130 duizend huishoudens en kleiner dan 25m2 maar 30 duizend. Het zijn voor circa 90% meergezins huurwoningen.
In circa 85% van deze kleine huisjes woont een alleenstaande, en in 13% twee mensen. Het zijn veelal jongeren met lage inkomens. Werkenden zijn goed vertegenwoordigd, evenals mensen met een uitkering. We komen er weinig AOW-ers tegen, maar dat zal gegeven de leeftijdsopbouw nauwelijks verbazing wekken. Ze wonen relatief kort in de kleine woningen, wat kan samenhangen met het feit dat ze juist aan het eind van hun leven voor deze manier van wonen kiezen.
In vergelijking met de Nederlandse bevolking, maar ook in vergelijking met de bewoners van BAR zijn de bewoners van kleine woningen minder tevreden. De beperkte woonoppervlakte is daar een belangrijke factor in. Opvallend is ook dat ze de woonomgeving minder waarderen. Dat zit ‘m in zowel de kwaliteit van de bebouwing, als in de gehechtheid aan de buurt als in de veiligheidsbeleving. Degenen die de woning echt te klein vinden, zijn dan ook duidelijk meer verhuisgeneigd dan degenen die daar minder last van hebben.
Maar misschien geeft de prijskwaliteitsverhouding van zulke kleine woningen wel de doorslag. Want ook al ligt de gemiddelde huurprijs van kleine woningen ruim honderd euro onder het gemiddelde, de prijskwaliteitverhouding valt tegen: 87% van de maximale huurprijs (tegen 78% gemiddeld) of bijna €14/m2 (tegen €7,60 gemiddeld). Uiteraard zijn er mensen voor wie zo’n klein huis een uitkomst, een kans of een droom is. Lekker ontspullen, tijd en geld overhouden voor lange motortochten, of een speciale community opbouwen met gelijkgestemden. WoON2018 laat ook de andere kant zien: velen zijn relatief ontevreden met woning en buurt, ze betalen een forse prijs en willen graag verhuizen. Zoveel mensen zoveel wensen.

Generatie-effect

Steeds meer ouderen wonen in een koopwoning. Dat is vooral een generatie-effect: de babyboomers zijn overwegend huiseigenaar, en zowel huiseigenaren als ouderen verhuizen weinig. Ze zijn gehecht aan woning en buurt, hebben lage woonlasten en blijven langer zelfstandig wonen door de extramuralisering van de zorg. Met het voortschrijden van de tijd komen er steeds meer oudere eigenaar-bewoners.
Laten we eens kijken hoe het zit met de geschiktheid van de woning: zijn de woonkamer, keuken, sanitair en slaapkamer zonder traplopen bereikbaar? Dat geldt uiteraard veel vaker voor meergezins- dan voor eengezinswoningen, waar dat slechts voor 20% het geval is. Het bouwjaar van de woning maakt daarbij weinig uit, alleen de vooroorlogse eengezinswoningen scoren ietsje hoger met 24%.
Dat is relevant omdat vanwege hetzelfde generatie-effect een steeds hoger percentage ouderen in eengezinswoningen woont. 57% van de vijfenzeventigplussers van nu woont in een eengezinswoning, voor de 65- tot 74-jarigen is dat ruim 70% en voor de senioren (55-64) en de middelbare leeftijdsgroep (45-64) ruim driekwart.
De eengezinswoningen waar een ouder huishouden woont, hebben voor 30% de belangrijkste voorzieningen op één verdieping en zijn dus goed aanpasbaar. Bij 75+ers ligt dat percentage hoger: op 37%. Op zich is het goed als ouderen vaker in geschikte woningen wonen. Aan de andere kant is dat voor 70% dus niet het geval.

"Zoveel mensen, zoveel wensen"

Belangrijke voorzieningen

Belangrijke voorzieningen Kijken we naar de mate waarin ze nog kunnen traplopen, dan zie we dat ouderen die daar moeite mee hebben of dat alleen met hulp van anderen kunnen, vaker de belangrijkste voorzieningen op een verdieping hebben. Ook zijn de eengezinswoningen van ouderen die moeite hebben met traplopen vaker aangepast in verband met een beperking.
Daarin zien we wel de nodige regionale verschillen: in de G4 zijn de eengezinswoningen waar ouderen wonen gemiddeld minder geschikt: 16% heeft de voorzieningen op één verdieping (tegen 30% landelijk). Ook zijn er minder aanpassingen gedaan: 13% tegen 19% landelijk. De percentages in de G40 liggen vaak dichter bij de landelijke cijfers.
Kortom: zelfs met een eerste, zeer snelle en oppervlakkige blik op het WoON2018 is er duidelijk nog steeds een forse opgave om ouderen met verschillende mate van beperkingen, in een woning met toegankelijke voorzieningen te laten wonen. En met het voortschrijden van het hiervoor genoemde generatie-effect zal die opgave eerder groter dan kleiner worden.

Iedereen wil verhuizen

Het aantal mensen dat wil verhuizen is tussen 2009 en 2018 met ruim zestig procent toegenomen van ruim 2 miljoen naar 3,5 miljoen. De grootste bijdrage aan deze toename komt van degenen die ‘eventueel/ misschien wel’ willen verhuizen: Deze groep neemt toe van 1 miljoen in 2009 tot twee miljoen in 2018. Daar staat echter tegenover – en dat is opvallend- dat het aantal huishoudens dat ‘beslist’ binnen twee jaar wil verhuizen, in dezelfde periode juist niet is toegenomen. De categorieën ‘heeft al andere woning gevonden’ en ‘wil verhuizen maar kan niets vinden’ zijn verhoudingsgewijs ook aanzienlijk toegenomen.

Maar doen we het ook?

Sinds 2015 is er een toenemende groep mensen die wel binnen twee jaar wil verhuizen, maar daar nog over aarzelt. In 2015 werd geredeneerd dat de sterke toename van deze groep tussen 2012 en 2015 een uitvloeisel was van de economische crisis in de jaren ervoor. Mensen wilden wel verhuizen maar ja, het zat allemaal een beetje tegen. Echter ook tussen 2015 en 2018 is de groep ‘eventueel misschien’ nog verder toegenomen en maakt ruim 60% uit van alle mensen die in het WoON2018 aangeven binnen twee jaar te willen verhuizen.
In de praktijk blijkt ook het daadwerkelijke verhuisgedrag sterk te verschillen tussen de ‘beslisten’ en de ‘eventueel misschien-groep’. Uit de verhuismodule van het WoON2015, waarin de mensen die willen verhuizen worden gevolgd in hun verhuisgedrag, komt naar voren dat mensen die ‘beslist’ willen verhuizen daar in ruim de helft van de gevallen binnen twee jaar in zijn geslaagd. Bij de ‘eventueel misschien-groep’ is dat nog geen twintig procent. Ook als mensen niet weten wanneer ze binnen twee jaar willen verhuizen of pas na één jaar is de kans dat men ook daadwerkelijk verhuist laag.

Eventueel-misschien

De groep ‘eventueel-misschien’ is tussen 2009 en 2018 ouder geworden met een gemiddelde leeftijd van 45 jaar in 2018 tegenover 40 jaar in 2009. Dit uit zich ook in de toename van het motief ‘gezondheid’ als WoON2018 59 belangrijkste reden om te willen verhuizen.  Steeds meer mensen geven aan misschien wel te willen verhuizen, maar een beperkt aandeel van deze groep verhuist ook daadwerkelijk. Een vage wens om ergens de komende tijd wel te willen verhuizen lijkt dan ook meer een attitude dan een daadwerkelijk voorspeller van verhuisgedrag. Wat in 2015 nog het gevolg van de economische crisis leek te zijn, is nu toch een daadwerkelijke trendbreuk. Er is een grote groeiende groep mensen die wel zou willen bewegen op de woningmarkt. Er zijn dus kansen voor meer dynamiek op de woningmarkt.

Een subminimaal inkomen

In WoON2018 heeft tien procent van alle huishoudens in een zelfstandige woning een inkomen dat lager is dan het sociaal minimum. Zes procent zit zelfs onder negentig procent van het sociaal minimum. Ongeveer 460.000 huishoudens hebben een inkomen lager dan 90% van het sociaal minimum. Wie zijn die huishoudens met een inkomen lager dan 90% van het sociaal minimum, hoe wonen ze en waar wonen ze en wat vinden ze ervan?
Ruim een derde van deze huishoudens heeft inkomen uit loon, totaal heeft ruim de helft inkomen uit arbeid als belangrijkste inkomstenbron. Een op de acht leeft van studiefinanciering, een op de acht van een AOW-pensioen. Het gemiddeld besteedbaar inkomen van deze groep bedraagt 400 euro per maand en vijftien procent heeft een negatief inkomen.
Driekwart van deze huishoudens bestaat uit één persoon, tien procent vormt een eenoudergezin. De gemiddelde leeftijd is 38 jaar tegenover 53 jaar voor het totaal van alle zelfstandig wonende huishoudens. Jongeren onder 24 jaar zijn met veertig procent sterk oververtegenwoordigd in deze groep, maar alle leeftijdscategorieën zijn aanwezig. Zeven procent is tweeverdiener, waarbij het kan voorkomen dat de ene partner een normaal inkomen heeft en de ander een negatief inkomen (zzp-er/ondernemer).
Vrijwel al deze huishoudens wonen in een huurwoning met gemiddeld drie kamers. Zestig procent woont in een appartement, zes procent in een studentenkamer, de rest in een eengezinswoning. Ze zijn sterk oververtegenwoordigd in stedelijke gemeenten. Ruim een kwart woont in de G4 en twee derde in de G40. Ze betalen een gemiddelde huurprijs van 526 euro en ontvangen (in 2/3 van de gevallen) ongeveer 200 euro huurtoeslag. Hoewel ze dus wat goedkoper wonen dan de gemiddelde huurder, hebben ze als gevolg van hun zeer lage inkomens een hoge huurquote.

"Driekwart houdt een oogje in het zeil als de buren niet thuis zijn"

Tevreden

Ondanks het lage inkomen is men tevreden met het leven en waardeert dat met een 7,6. Dat wijkt maar weinig af van het cijfer dat de totale bevolking aan het leven geeft, een 7,8. Slechts acht procent van de huishoudens met een inkomen lager dan 90% van het sociaal minimum is ontevreden over de woning en slechts zeven procent is ontevreden over de woonomgeving. Wel is er vaker sprake van tocht en schimmel dan bij de gehele bevolking en vindt een groter deel dat de woning slecht is onderhouden. Er zijn er maar weinig die het vervelend vinden in hun huidige woonbuurt. Ruim twintig procent zou graag uit de buurt verhuizen tegenover veertien procent van de gehele bevolking.
In publicaties over het WoON wordt de groep met een huishoudinkomen met minder dan negentig procent van het sociaal minimum niet meegenomen bij de berekening van de huurquote, de koopquote en de woonlastenquote. Want hoewel deze groep in iedere editie weer relatief goedkoop blijkt te wonen ten opzichte van de gemiddelde huurders, pakken hun huurquotes door de extreem lage inkomens zo hoog uit dat ze het gemiddelde voor alle huurders vertekenen. De problematiek van deze groep ligt echter eerder in de inkomenssfeer dan in de woonlastensfeer.
De kenmerken van deze groep bevestigt dit beeld. Het zijn gewone huishoudens in gewone woningen waarover men tevreden is net als over het leven in het algemeen. Toch is nadere verdieping op zijn plaats, waarbij de inkomenssituatie centraal staat. Het inkomen in het WoON is afkomstig van de koppeling met de registratie van fiscale gegevens. Het gaat om de voorlopige inkomens over 2017. Hoe kan men een zelfstandige huishouding voeren en in een gewone woning wonen van gemiddeld vierhonderd euro besteedbaar inkomen per maand? Een apart onderzoek, bijvoorbeeld met behulp van microdata en de verhuismodule waarbij respondenten uit het WoON via registraties worden gevolgd, kan beter inzicht bieden wat er nu feitelijk bij deze groep speelt.

Meedoen in de buurt?

In het WoON2018 worden veel vragen gesteld over de buurt waarin mensen wonen. Hoe mensen oordelen over de woonomgeving, hoe actief ze zijn in de buurt en hoe ze denken over de ontwikkeling van de buurt.
Niet meer dan zes procent van de bewoners is (zeer) ontevreden over hun woonomgeving. Vier procent vindt het vervelend in hun huidige woonbuurt, zes procent voelt zich niet thuis in de eigen buurt, zes procent is bang om lastig gevallen of beroofd te worden in de eigen buurt. Dit zijn allemaal hele lage percentages. Wel is het zo dat mensen in meer stedelijke gemeenten minder tevreden zijn over de woonomgeving (acht procent) en dat er alleen hier mensen zijn die bang zijn in de eigen buurt (tien procent). Naarmate mensen ouder zijn voelen zij zich vaker thuis in hun buurt.
Ook geeft een fors deel van de stedelijke bewoners (dertig procent) aan dat mensen elkaar nauwelijks kennen in de buurt. In de minder stedelijke (vijftien procent) en landelijke gemeenten (tien procent) ligt dit aandeel veel lager.

foto: Paul Keres

Contact met buren

De helft van mensen heeft veel contact met de directe buren en ruim een derde heeft veel contact met andere buurtbewoners. Bij contact met de directe buren blijven de verschillen naar stedelijkheid beperkt van 45% in de steden tot 57% in de dorpen.
Zeven van de acht mensen geeft aan actief te willen zijn bij het verbeteren van de eigen woonbuurt. Driekwart houdt een oogje in het zeil als de buren niet thuis zijn, negentig procent neemt pakjes aan voor de buren, een derde helpt bij klusjes in huis of in de tuin, tien procent komt helpen als de computer is vastgelopen of internet het niet doet. Een kwart van de mensen laat de hond uit en geeft de kat te eten, een op de acht past op de buurkinderen, een op zes doet boodschappen als dat nodig is.
Het beperkte aantal mensen dat niets doet in de buurt geeft als reden dat ze niet weten wat ze zouden kunnen doen of dat ze geen tijd hebben.

Buurt gaat erop vooruit

Bijna twintig procent van de mensen vindt dat de buurt er het afgelopen jaar op vooruit is gegaan en een zelfde aandeel verwacht dat de buurt er de komende tijd op vooruit zal gaan. Ruim tien procent vindt dat de buurt achteruit is gegaan en een zelfde aandeel verwacht een negatieve ontwikkeling.
Het hangt sterk af van hoe je mensen vraagt naar hun oordeel over hun buurt. Zo voelt maar zes procent zich niet thuis in de buurt; tegelijkertijd is ruim twintig procent van de mensen niet gehecht aan de buurt waar men woont. In beide gevallen maakt het veel uit hoe oud je bent. Bijna de helft van de mensen jonger dan 25 jaar is niet gehecht aan de buurt, tegenover ouderen (75+) tien procent. Twaalf procent van de jongeren voelt zich niet thuis in de buurt en slechts drie procent van de ouderen. Met de toenemende vergrijzing in de komende decennia zal het oordeel over de kwaliteit van de buurt waar men woont naar verwachting nog positiever worden dan het nu al is.

Reacties

xMet het invullen van dit formulier geef je Ruimte en Wonen en relaties toestemming om je informatie toe te sturen over zijn producten, dienstverlening en gerelateerde zaken. Akkoord

Copyright 2019 Aeneas Media

Deze website maakt gebruik van cookies. Meer informatie AccepterenWeigeren