Kennisnetwerk over de leefomgeving

De Stoep, ontmoetingen tussen huis en straat Tako Postma, Inbo Amsterdam

do 3 sept 2015

Ontmoetingen tussen huis en straat spelen een belangrijke rol in het ontstaan van sociale contacten tussen bewoners, stellen de auteurs van ‘De Stoep’. Op de achterflap schrijven ze: ‘Dit boek is een pleidooi voor de stoep met overgangszone. De voordelen van het toe-eigenen en gebruiken van een deel van de stoep, van een voortuintje of een veranda worden aangetoond.’

In vijf hoofdstukken wordt de stoep, ofwel de geleidelijke overgang tussen huis en straat, vanuit verschillende disciplines belicht. Het eerste inleidende hoofdstuk legt uit wat de auteurs bedoelen met die overgang. Het tweede hoofdstuk is een historisch overzicht, dat in grote stappen de geschiedenis uitlegt van de ‘Hollandse stoep’ tot strak (‘Frans’) trottoir. Tot daar na de Tweede Wereldoorlog weer een reactie op kwam vanuit de structuralisten, die een pleit deden voor een veel geleidelijke overgang. En de laatste tendens tot een meer stedelijke architectuur met ontworpen voorzones in plaats van voortuinen.

6231 Rotterdamse straten

In het hoofdstuk ‘Ruimtelijke analyse’ doen de auteurs een poging om de relatie te leggen tussen tevredenheid van bewoners over de wijk en de hoeveelheid overgangszones die er in de wijk te vinden zijn én in welke mate die gebruikt worden. Hiertoe zijn, heel bewonderenswaardig, alle 6231 straten van Rotterdam geanalyseerd. In het vierde hoofdstuk, geschreven door stadssocioloog Gwen van Eijk, wordt, op basis van enquêtes onder Rotterdamse bewoners, de relatie gelegd tussen het gebruik van overgangszones en spontane en geplande ontmoetingen in de straat. Het laatste hoofdstuk beschrijft vanuit stadspsychologisch perspectief hoe het gevoel van eigendom van overgangszones invloed heeft op de mate van privacy die bewoners ervaren.

Tussen deze tekstuele hoofdstukken door zijn dertien casestudies opgenomen. Uitgebreide beschrijvingen van voorbeelden van overgangszones in tekst, foto’s en analysetekeningen. Het boek wordt gecompleteerd door een tweetal foto-essays met prachtige beelden van de bonte verzamelingen van ‘identiteitsuitingen’ die bewoners in hun voortuin of overgangszone geplaatst hebben. De nadruk ligt hierbij op tuinkabouters en andere prullaria.

Geen concrete vorm

De analysetekeningen in het boek maken meteen duidelijk waar we vandaan komen. Ondanks de gezellige bruine kleur zijn ze herkenbaar als getekende analyses van de TU Delft. Het boek doet mij persoonlijk daar op nog twee andere manieren aan denken. Ik weet nog goed dat ik al in het eerste jaar in Delft enorm teleurgesteld was over alle collegedictaten die ik moest ‘leren’. Vakken werden breed en integraal aangevlogen, waardoor eigenlijk ieder aspect bleef hangen in een inleiding. En gek genoeg werd eigenlijk elk aspect besproken, behalve de wijze waarop en de praktische resultaten van het ontwerpen zelf. Ook in dit boek blijft elke opgebouwde redenering hangen bij oppervlakkige, voor de hand liggende conclusies en komt de invloed van de concrete vorm van een overgangszone op het straatbeeld, of het gebruik of het beeld van de woning zelf, nauwelijks aan de orde.

De hoofdstukken zijn weliswaar allemaal een pleidooi voor een overgangszone, maar of het boek nu gericht is op de bewoner, die gestimuleerd moet worden om zo’n zone in bezit te nemen, of op professionals die straten zo moeten inrichten dat zij dat gaan doen, is een beetje onduidelijk. Aan de ene kant richten de schrijvers zich rechtstreeks tot bewoners met een pleidooi om de stoep in bezit te nemen, door deze te gebruiken, er te verblijven, er eigen ‘identiteitsuitingen’ te plaatsen of hem te onderhouden. Aan de andere kant constateren ze ‘Een succesvolle stoep ontstaat echter niet zomaar. Vooral niet nu gemeenten en woningcorporaties steeds vaker bewoners en andere partijen medeverantwoordelijk maken voor de inrichting en het onderhoud.’

Soms spreken ze elkaar zelfs tegen: In het ene hoofdstuk wordt gezegd dat een voortuin ook leidt tot sociale contacten omdat men elkaar ontmoet als die onderhouden wordt. In een ander hoofdstuk leidt een voortuin niet tot contact, omdat bewoners daarin niet verblijven.

Voorbeelden

Er zijn meer conclusies waar je wat twijfel bij kan hebben: De auteurs constateren bijvoorbeeld dat ook in achterstandswijken met weinig woonsatisfactie, bewoners erg tevreden zijn over het gebruik van overgangszones tussen huis en straat. Dat dat wel eens het geval kan zijn omdat men daar geen alternatieven heeft (zoals tuin of balkon), wordt volledig buiten beschouwing gelaten. De auteurs trekken ook de conclusie dat overgangszones belangrijk zijn, omdat bewoners zich veiliger voelen in buurten waar overgangszones goed gebruikt worden. Ik vraag me af of ze zich veiliger voelen door het gebruik van overgangszones, of dat ze die zones beter gebruiken als ze zich om andere redenen veilig voelen.

In ruimtelijke zin is de algemene conclusie van de auteurs dat voorzones tussen één en twee meter breed tot de meeste tevredenheid leiden; goed voorstelbaar in stedelijke situaties zoals Rotterdam. Toch vraag je je af of Rotterdam nu de meest logische stad is om algemene conclusies over de stoep te trekken. Daarom is het ook jammer dat de casestudies tamelijk willekeurig gekozen lijken te zijn. Er is nauwelijks relatie tussen het onderzoek dat geheel gebaseerd is op Rotterdam en de casestudies. Van de dertien zijn er maar vier Rotterdams en die betreffen alle vier een overgang naar een autovrij hof. Daarnaast zijn er vier extreme buitenlandse voorbeelden, waardoor de cases uiteindelijk zo verschillend zijn dat de lezer die op zoek is naar voorbeelden voor nieuw aan te brengen voorzones, met lege handen achterblijft.

Voorvechters

Ik ben een groot voorstander van overgangszones tussen openbaar en privé, zeker in stedelijk gebied. Maar de stelling van de achterflap, dat dit boek de de waarde van toe-eigenen aantoont, betwijfel ik. Los van het feit dat het volledig voorbijgaat aan de vele voorvechters van de afgelopen jaren, zoals bijvoorbeeld Gert Urhahn, die met zijn pleidooi voor encroachmentzones (toe-eigening is de letterlijke vertaling) al jaren het onderzoek naar de stoep met concrete ontwerpen verrijkt.

De Stoep, ontmoetingen tussen huis en straat

Sander van der Ham, Daniel Heussen, Eric van Ulden, nai010 uitgevers, met steun van Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, Gemeente Rotterdam, Woonbron, Woonstad Rotterdam en Era Contour

Isbn 9789462082090, 240 pp, € 29,50

Reacties

Copyright 2019 Aeneas Media

Deze website maakt gebruik van cookies. Meer informatie AccepterenWeigeren