Kennisnetwerk over de leefomgeving

Is leefkwaliteit een kwestie van geluk?
Matthijs De Boer

di 3 oktober 2017

'Biedt uw woonplaats u en uw gezin alles wat u nodig hebt voor een goed leven?' Als dat citaat uit 'Wij en de wijkgedachte' van W.F.Geyl (1946) niet over kwaliteit van leven gaat, dan weet ik het niet meer. Dat moet de stad toch al zijn bewoners kunnen bieden?

Als ontwerper streef ik naar kwaliteit in elke woning en elk plan dat we ontwerpen. Onze interne kwaliteitstoets is: je zou er zelf moeten willen wonen. Als de bezonning wat minder goed uitkomt, bied je mooi uitzicht of ligging aan het water, of maak je de tuin wat groter. Ik was dan ook verbijsterd aan het begin van mijn loopbaan toen ik merkte dat projectontwikkelaars heel anders redeneren: de beste locatie in het gebied krijgt ook de beste en grootste, maar vooral duurste, huizen. Er moeten ook goedkopere huizen in het plan en die zijn dan in alle opzichten minder. Dat heette dan ‘differentiatie’. En dat waren de ‘marktpartijen’ die volgens onze overheid Nederland moesten gaan maken, die de Vinex zouden uitvoeren.
Tussen de partijen die samen de woonomgeving en de woningen maken, is er trouwens ook niet altijd overeenstemming over wat ‘kwaliteit’ dan is, en hoe die gewaardeerd wordt door degenen waar we het allemaal voor doen: de bewoners. Breed gedeeld is bijvoorbeeld het vermoeden dat mensen een groene woonomgeving en een huis met een tuin willen. Maar als de mensen hun tuin vervolgens vol met tegels leggen, moet die kwaliteitswens in twijfel worden getrokken. 
Inmiddels kunnen we er niet meer omheen om kwaliteit van leven ook te definiëren in termen van duurzaamheid. Wat wij nu plannen, ontwerpen en bouwen gaat over de kwaliteit van leven van toekomstige generaties. Het zou zomaar kunnen dat wat mensen nu willen, juist de kansen op kwaliteit voor de toekomst schaadt.

Het nastreven van kwaliteit in de stedenbouw is dus niet hetzelfde als zoveel mogelijk mensen zoveel mogelijk hun zin geven. Maar met welke reden en welke argumenten dringen we dan, als professionals, onze kwaliteitsmaatstaven op?
Even terug in de tijd, naar de drijfveer van de liberalen die de Woningwet van 1901 opstelden. Het woord ‘leefkwaliteit’ was nog niet uitgevonden. Het bevorderen van de volksgezondheid en de ‘opheffing van de zedelijke minderwaardigheid der arbeiders’ had vooral een pragmatische achtergrond. Kwaliteit betekende niks meer of minder dan ‘hoedanigheid’. De beetje verheven betekenis of gevoelswaarde van ‘beter dan goed’ kwam pas later.
Het idealisme in de stedenbouw en woningbouw was vooral iets van de moderne architecten die de Woningwet in de wederopbouw in praktijk brachten. Wereldverbeteraars voelden zij zich, met de wijsheid in pacht en het morele gelijk aan hun zijde. De Stichting Goed Wonen publiceerde brochures waarin werd uitgelegd hoe je ‘goed’ moest wonen, met illustraties waarin modern goed was en traditioneel fout. 

"Kwaliteit is niet hetzelfde als zoveel mogelijk mensen hun zin geven"

Het nastreven van kwaliteit in de stedenbouw is dus niet hetzelfde als zoveel mogelijk mensen zoveel mogelijk hun zin geven. Maar met welke reden en welke argumenten dringen we dan, als professionals, onze kwaliteitsmaatstaven op?
Even terug in de tijd, naar de drijfveer van de liberalen die de Woningwet van 1901 opstelden. Het woord ‘leefkwaliteit’ was nog niet uitgevonden. Het bevorderen van de volksgezondheid en de ‘opheffing van de zedelijke minderwaardigheid der arbeiders’ had vooral een pragmatische achtergrond. Kwaliteit betekende niks meer of minder dan ‘hoedanigheid’. De beetje verheven betekenis of gevoelswaarde van ‘beter dan goed’ kwam pas later.
Het idealisme in de stedenbouw en woningbouw was vooral iets van de moderne architecten die de Woningwet in de wederopbouw in praktijk brachten. Wereldverbeteraars voelden zij zich, met de wijsheid in pacht en het morele gelijk aan hun zijde. De Stichting Goed Wonen publiceerde brochures waarin werd uitgelegd hoe je ‘goed’ moest wonen, met illustraties waarin modern goed was en traditioneel fout. 

Met mondjesmaat succes: veel mensen bleven gewoon hun krappe kamers vullen met dikke crapauds en prenten van Anton Pieck aan de wand. De doorbraak kwam pas later, toen Ikea het 'goede wonen' op een luchtigere manier propageerde en zorgde dat al die moderne spullen beschikbaar werden, voor een bescheiden bedrag.

In de jaren 60 werd het enorme woningtekort ingelopen. Na de Tweede Wereldoorlog waren er simpelweg te weinig woningen, en er was weinig geld en weinig bouwmateriaal: kwantitatieve woningnood. Vanaf de jaren 70 waren er vooral te weinig goede woningen: kwalitatieve woningnood. En er was wat meer financiële ruimte. Het woord ‘kwaliteitsverbetering’ is weliswaar een pleonasme, maar de aannemers wisten er wel raad mee: meer geld uitgeven (verdienen) aan dezelfde kubieke meters.
Intussen werd in de periode dat functionalisme en modernisme hoogtij vierden het begrip ‘mooi’ taboe verklaard in de stedenbouw. De stad moest goed functioneren. Omdat ‘mooi’ niet mocht, en het bloed kruipt waar het niet gaan kan, werd het ‘kwaliteit’. Het beeldkwaliteitsplan werd geïntroduceerd.
Het streven naar betere leefkwaliteit door middel van het bouwen van goede steden en woningen komt telkens terug, met steeds andere motieven en termen. Kwaliteit van leven is geen statisch begrip, en de invulling ervan is minder duurzaam dan onze woningbouw is of zou moeten zijn. Dat dwingt tot nadenken: zijn we bezig met een modegril of met duurzame kwaliteit? De stedelijke patronen die we maken en de gebouwen gaan langer mee dan de invulling van het begrip kwaliteit. Is duurzaam dan wat lang blijft, of juist wat zich steeds kan aanpassen aan nieuwe kwaliteitseisen of denkbeelden over leefkwaliteit? 

Reacties

Copyright 2020 Aeneas Media

Deze website maakt gebruik van cookies. Meer informatie AccepterenWeigeren