Kennisnetwerk over de leefomgeving

Loslaten beperkt de ontwerpkracht
Interview met Liesbeth van der Pol
Annemiek Rijckenberg, Like Bijlsma

di 24 juli 2018
artikel

Nu de crisis voorbij is en de woningmarkt aantrekt, dient de vraag zich aan wat het karakter is van de nieuwe bouwproductie. Waar wordt gebouwd en voor wie? Zijn de woningen toekomstbestendig? Waar zit de innovatie? We vroegen het de voormalig Rijksbouwmeester Liesbeth van der Pol, oprichter van Dok architecten.

Liesbeth bouwt scholen, musea en woningen voor uiteenlopende opdrachtgevers. Ze is bekend van de Rooie Donders, de knalrode graanschuren aan de rand van Almere. Of de recente Parkeergarage Katwolderplein, een moderne karavanserai geïnspireerd door haar reis langs de Zijderoute. De opdrachtportefeuille van Liesbeth bestaat op dit moment voor het grootste deel uit woningbouwprojecten en reikt van privé?-woningen tot grootschalige appartementengebouwen. Maar ze werkt ook aan de renovatie van Het Binnenhof in den Haag.

Hoe actief volgt u de ontwikkelingen in de woningbouw?

“Ik volg zo veel mogelijk media over de woningbouwopgave. De discussie wordt gedomineerd door ontwikkelaars die klagen dat er niet genoeg tempo gemaakt wordt. Maar vanuit de bouwpraktijk herken ik dat beeld helemaal niet. Er wordt juist als een razende gebouwd. En dat gebeurt op een heel andere manier dan pakweg tien jaar geleden. Onder invloed van de recessie en de veranderingen in het RO systeem is er enorm veel veranderd in de opdrachtverlening, het programma van eisen voor de woningen en de rol van de gemeente. De markt krijgt veel meer ruimte. Jammer genoeg leidt dit niet tot een hogere kwaliteit aan woningen.”

Wat is volgens u de tendens?

“Tijdens de crisis hebben alle grote ontwikkelaars ingezet op kostenreductie bij de ontwikkeling van nieuwe marktconcepten met klinkende namen als ‘optio’ en ‘morgenwoning’. Ze zijn gaan werken vanuit een minimaal programma met volledig uitgeklede plattegronden, zonder enige specifieke kwaliteit. Het niveau van de plattegronden is gedaald naar dat van de sociale woningbouw uit de jaren negentig. Of eigenlijk nog lager, want er valt nog maar weinig te variëren. De architect van nu werkt vooral aan de buitenkant van de woning. Architectonische innovaties zitten dus vooral in de geveldetaillering en de bekleding. Veel architecten zijn daar ook heel goed in. Maar als woningbouwer gruwel ik van al die vrolijk aangeklede dozen die je overal in het land ziet oppoppen. Dit is een product zonder vernieuwing. En dat terwijl we juist met plattegronden zouden moeten experimenteren! Op zoek moeten gaan naar wat bewoners nodig hebben. Naar wat er in 30 jaar allemaal is veranderd en wat voor fantastische ontwerpen we daarvoor kunnen maken!” 

Wat is uw visie op de toekomstbestendigheid van de woningen die nu gebouwd worden?

“De huizen die op dit moment met grote snelheid gebouwd worden spelen totaal niet in op demografische en sociale veranderingen of op specifieke nieuwe woonbehoeften van ouderen, jongeren, stedelijke gezinnen of migranten. Dat is triest. In andere sectoren zie je de ene na de andere productinnovatie, maar de bouw staat stil. Juist in deze tijd zou je verwachten dat er geld vrijgemaakt zou kunnen worden voor het doordenken van een toekomstbestendig en flexibel woonprogramma. Woningen zouden zich moeten kunnen aanpassen aan veranderende eisen van de bewoners. Juist nu is de individualiteit in het gezinsleven belangrijk. Je eigen kamer hebben. Gezond wonen. Om een voorbeeld te geven: je ziet dat woonkamers steeds minder vaak gebruikt worden, maar dat er steeds meer behoefte is aan werkruimtes in huis. Dus waarom nog die klassieke woonkamer? Wat betreft keukens zijn er veel verschillen in gebruik. Sommige huishoudens stellen prijs op een gesloten keuken, terwijl anderen graag een royale woonkeuken hebben. Nieuwe woonproducten zouden veel beter kunnen inspelen op deze nieuwe leefwijzen. Om de lange termijn te bedienen zullen de plattegronden veel flexibeler van opzet moeten zijn. Maar dat niet alleen. Om een aantrekkelijke leefomgeving te maken zullen de woningen veel specifieker moeten aansluiten op hun omgeving. Staat de woning in de binnenstad, in een dorp, of in het weiland? Architectuur heeft de kracht om de identiteit van een plek te versterken. Juist het karakter van een gebouw op een plek bindt ons en verbindt ons. Maak daar gebruik van!”

Bouwen in de stad of aan de rand?

“Ook de recente discussie over het bouwen in de stadsranden leeft in de praktijk niet zoals geschetst in de media. Alle partijen, zowel publiek als privaat, zijn er van overtuigd dat het goed is om de stad te verdichten. Wij werken vooral in middelgrote gemeenten die met woningbouw het verpauperende en leeglopende centrum willen aanpakken. Dat is natuurlijk een goede zaak. Tegelijkertijd worden in de grote steden de grenzen van de verdichting bereikt . In Amsterdam zie je dat discussies over de leefbaarheid van de binnenstad steeds vaker op de politieke agenda staan. Voor mij gaat het niet over bouwen binnen of buiten contouren, maar veel meer over de vraag, hoe de woningbouw kan bijdragen aan het behouden en versterken van de aantrekkelijkheid van de metropool. Dit ligt voor elke gemeente anders. In de grote steden bijvoorbeeld mag het direct omliggende groen nooit verkwanseld worden. Het aantasten van deze buffers betekent een afbraak van de aantrekkelijkheid van de stad. Op het moment dat je de ‘smakelijke verschillen’ tussen stad, ommeland, dorp en groen opheft, bestaat het gevaar dat de attractiviteit van de metropoolregio als geheel afgebroken wordt. Door aantrekkelijk groen te verkwanselen raken we ons mooie vestigingsklimaat kwijt. Dat zou eeuwig zonde zijn.” 

In hoeverre zijn grondposities van invloed op het locatiebeleid?

“Het feit dat veel gronden in de stadsranden van ontwikkelaars zijn, mag voor publieke partijen geen reden zijn om daar dan maar te gaan bouwen. Het feit dat de ‘ouderwetse’ planologie, ondersteund met actief grondbeleid, momenteel uit de mode is, betekent nog niet dat je als gemeente of regio geen locatiebeleid meer hoeft te voeren. Je kunt als gemeente nog steeds convenanten opstellen, en dat zie ik in de praktijk ook gebeuren. Tegelijkertijd zie ik nieuwe modellen voor gebiedsontwikkeling ontstaan waarbij particuliere grondeigenaren zelf een convenant afsluiten en claims door uitruil binnen het gebied worden opgelost. Het stationsgebied in Den Bosch is een voorbeeld van zo’n ontwikkeling. Die toont dat de gemeente niet altijd alles hoeft op te lossen, maar wel de regie moet nemen. In dit geval heeft de gemeente de 16 particuliere grondeigenaars duidelijke kaders meegegeven waarbinnen zij zelf naar een oplossing konden zoeken. En dat is gelukt.”

Is betaalbaarheid een keuze?

“De betaalbaarheid van de woningvoorraad in de grote steden, met name in de Randstad, loopt momenteel tegen zijn grenzen op. Het wordt gebracht als een onvermijdelijk feit maar dat is het niet. Het betaalbaar houden van woningen is geen onbereikbaar ideaal van vroeger maar een politieke keuze. Je kunt er bijvoorbeeld voor kiezen om opbrengsten te verevenen. Opbrengsten van ‘dure’ locaties kunnen dan ingezet worden om woningen elders betaalbaar te houden. In geen geval zal de kwaliteitstoets van woningen omlaag gebracht moeten worden om de kosten te drukken en zo de woningen goedkoper te maken. Wat wel moet gebeuren is het stellen van kaders, waarbinnen architecten hun eigen invulling kunnen geven aan betaalbare, mooie en duurzame oplossingen. Stedenbouwers moeten ze daarvoor de ruimte geven. Daarmee bedoel ik niet louter meebewegen en faciliteren, maar juist het stellen van heldere doelen om het plan vervolgens los te kunnen laten tijdens de ontwerpfase. De rollen van de verschillende stedelijke diensten verschillen hierin enorm, en de verschillen worden almaar groter. Dit heeft grote impact op de kwaliteit van de nieuwe bouwproductie, die verschilt per stad enorm.”

Waar verdichten?

“Als de gigantische ‘nieuwe’ bouwopgave strategisch ingezet wordt kan een enorme kwaliteitsslag gehaald worden. Niet alleen in duurzaamheid, omdat de woningen aan betere labels voldoen. De productie kan ingezet worden om de aantrekkelijkheid van de steden te vergroten. Zoals gezegd zitten de grote steden, met name Amsterdam, aan hun verdichtingstax. Het is het de vraag of een verdere verdichting de kernkwaliteiten van de stad niet gaat aantasten. Ik denk dat we veel meer in de regio en dan met name de suburbane buitenwijken moeten gaan kijken als we de verdichtingsopgave een plek willen gaan geven, ook vanwege de aanwezige voorzieningen en de vaak goede bereikbaarheid per OV. Met name in de centra van randgemeenten, bij bestaande onderbenutte vervoersknooppunten en in de Vinex-wijken en de voormalige groeikernen valt veel winst te behalen. Dit soort buurten en wijken kunnen de vitale onderdelen van de stedelijke agglomeratie en het Daily Urban System worden.”

Hoe staat het volgens u met de duurzame waarden?

“Ik ben ontzettend blij dat duurzaamheid in de woningbouw nu hoog op de agenda staat. De huizen gaan eindelijk van het gas af, er worden energiezuinige en energie-neutrale woningen gebouwd met zonnepanelen of warmtepompen en in sommige gevallen wordt nu ook gekeken hoe om te gaan met nieuwe mobiliteitsconcepten. Ook komt er steeds meer aandacht voor circulair bouwen, waarbij een woning zo in elkaar gezet wordt dat deze na gebruik weer netjes afgebroken en gerecycled kan worden. Ook in de stedenbouwkundige opzet verandert er veel, bijvoorbeeld door het vermijden van dure parkeeroplossingen door autodelen en het vergroenen van daken en binnenterreinen. De ideeën over autoloze wijken zijn weer helemaal terug. Daartegenover staat dat duurzame oplossingen vaak lukraak op de woningbouw geprojecteerd worden, zonder dit goed te doordenken op verschillende schaalniveaus en te verweven in de context. De woonsatisfactie zou ik ook graag op de duurzaamheidslijstjes willen zien. 

De essentie van duurzame architectuur ligt wat mij betreft in andere zaken. Een duurzaam gebouw is een gebouw waar je hart van gaat kloppen, een gebouw dat je nooit meer wilt afbreken en dat goed en mooi gebouwd is. Als bestuurslid van de Vereniging Hendrick de Keyser heb ik bijzondere ervaringen. Als de Vereniging panden verwerft, neemt ze deze in feite ‘uit de markt’, omdat ze nooit meer doorverkocht gaan worden. De panden zijn in financiële zin dan niets meer waard. Maar dat betekent niet dat ze waardeloos zijn geworden, integendeel! De waarde van zo’n pand ligt in de architectonische specificiteit, de inbedding in de directe omgeving en de historische kwaliteit. Ze hebben iets bijzonders, zijn mooi en blijven lang in het geheugen.”

Tot slot: welke boodschap heeft u aan minister Ollongren?

“Binnen de huidige marktsituatie leidt het maken van tempo niet vanzelf tot goede woningbouw en duurzame woonomgevingen. Daar is veel meer voor nodig. Ik pleit voor een grotere rol voor de lokale overheid en corporaties in het huisvesten van bijzondere woonvormen, in nieuwe programma’s en innovaties. Daarnaast krijgt het belang van kleinere ontwikkelaars en aannemers en van nieuwe collectieven veel te weinig aandacht. Die zijn broodnodig voor het realiseren van toekomstbestendige woonwensen, duurzaamheid en het energieakkoord!”

Volledig
artikel lezen?het volledige artikel is gratis beschikbaar
voor onze leden. Nog geen lid? meld u
aan bij ons netwerk.

Reacties

xMet het invullen van dit formulier geef je Ruimte en Wonen en relaties toestemming om je informatie toe te sturen over zijn producten, dienstverlening en gerelateerde zaken. Akkoord

Copyright 2018 Aeneas Media

Deze website maakt gebruik van cookies. Meer informatie AccepterenWeigeren