Kennisnetwerk over de leefomgeving

Regio als garderobe
Gevaar bij buurtverschillen
Sako Musterd, Cody Hochstenbach, Wouter van Gent, Rik Damhuis

ma 3 december 2018
artikel

Het Nederlandse woonbeleid heeft lang de ambitie gehad om gemengde woonmilieus te creƫren. Inmiddels is deze ambitie afgezwakt. Hierdoor kunnen woonvoorkeuren leiden tot grotere buurtverschillen. Meer keuzeruimte op de woningmarkt stelt vermogende huishoudens in staat hun voorkeuren te realiseren. Maar bij gebrek aan sturing ligt ook het gevaar van ongewenste bevolkingsconcentraties op de loer. Om een balans te vinden tussen deze twee extremen, geven we in deze bijdrage een aanzet tot het denken over de regio als garderobe van uiteenlopende woonmilieus.

Veranderend woonbeleid: van interventie naar 'keuze'

Woonbeleid in Nederland werd lange tijd gekenmerkt door een streven naar evenwichtige, sociaal gemengde woonmilieus. Daarbij werd verwacht dat soms sterk van elkaar verschillende huishoudens in harmonie vorm zouden geven aan de lokale buurtgemeenschap. Dat streven was gebaseerd op een afkeer van omvangrijke segregatie en op de gedachte dat gemengde milieus konden bijdragen aan versterking van de sociale en culturele integratie. Inmiddels is dit beleid op nationaal niveau afgezwakt door liberaal woonbeleid en nieuwe ideeën over integratie en wonen. Op lokaal en regionaal niveau is echter een beleidsvoorkeur voor ‘balans’ en ‘menging’ nog altijd sterk aanwezig. Sociale menging probeert men vaak te realiseren via het stimuleren van de bouw van verschillende typen woningen – sociale huur, particuliere huur en koop – in uiteenlopende prijscategorieën, niet ver van elkaar. Nederlandse steden zijn niet uniek in die wens; vergelijkbaar beleid zien we ook in landen als Engeland, Frankrijk en zelfs de Verenigde Staten (Kleinhans 2004; Tunstall & Lupton 2010, Górczy?ska 2017, Popkin e.a. 2004).

Beperkt sturen

De praktijk laat echter zien dat het steeds meer moeite kost om de sociale samenstelling van een buurt of woonmilieu lokaal te sturen. Dat komt in de eerste plaats omdat huishoudens hun eigen voorkeuren willen realiseren. Wetenschappelijk onderzoek geeft steun aan het inzicht dat men het liefst woont bij anderen die veel op hen lijken, of bij huishoudens die een iets sterkere sociale positie hebben (McPherson e.a., 2001; Sampson, 2012; Musterd e.a., 2016). Deze hang naar gelijksoortige huishoudens en individuen is niet beperkt tot sociaaleconomische kenmerken, maar geldt ook voor onder andere leeftijd en opleidingsniveau. Zelfs zwakke individuele voorkeuren of beperkte keuzeruimte kunnen uiteindelijk relatief homogene woonmilieus tot gevolg hebben, omdat er een zichzelf versterkend proces op gang komt (Schelling, 1971).

In de tweede plaats komt dat doordat een liberale overheid eigenlijk maar beperkt wil sturen op het dempen van ongelijkheid. Door de nadruk op eigenwoningbezit en huurliberalisering krijgen individuele voorkeuren meer ruimte. Althans voor groepen die meer te besteden hebben. Zwakkere groepen hebben veel minder keuze ruimte. Zij zijn aangewezen op de goedkoopste buurten.

Gegeven de hang naar gelijksoortige huishoudens kan dit leiden tot sterkere ruimtelijke segregatie. In dit geval weegt het voordeel van vrije keuze mogelijk niet op tegen de negatieve maatschappelijke gevolgen. Denk aan buurtstigmatisering, negatieve buurteffecten, afstand tot werkgelegenheid en andere vormen van segregatie. 

Een nieuw denkkader

Het huidige woonbeleid zal waarschijnlijk leiden tot scherpere ruimtelijke ongelijkheden. Het centrale dilemma is hoe we ruimte kunnen bieden aan individuele voorkeuren zonder dat dit leidt tot ongewenste maatschappelijke uitkomsten. Het vinden van dit evenwicht vereist een nieuw denkkader in sociaal-ruimtelijk beleid.

Als aanzet voor dit nieuwe denkkader, moeten we weten hoe keuzevrijheid (voor sommigen) op de woningmarkt uitpakt. Wat zijn de gevolgen van toegenomen ‘vrije’ keuze voor huishoudens, maar ook voor het functioneren van stedelijke regio’s als geheel?

In ons onderzoeksproject “de Regio als Garderobe” gaan wij in op deze vragen door het verhuisgedrag van huishoudens onder de loep te nemen. We besteden hierbij aandacht aan verhuizingen die samenhangen met veranderingen in gezinssituatie, zoals het gaan samenwonen of het krijgen van kinderen. We weten immers dat dergelijke veranderingen in huishoudsamenstelling vaak een verhuiswens oproepen. Daarnaast besteden we aandacht aan verhuizingen die samenhangen met veranderingen in economische positie – denk aan een verandering van baan, inkomensstijging of juist baanverlies[1]. Dergelijke transities maken een verhuizing mogelijk of juist noodzakelijk. We zien dan vaak een verhuizing naar een ander soort woning (groter of kleiner, huur of koop, duurder of goedkoper), en naar een andere woonomgeving. Het kan gaan om het verruilen van de stad voor een meer landelijke omgeving, maar ook om verhuisbewegingen binnen gemeentes. 

 
Voorbeelden van woonmilieus die 'passen als een jas' bij specifieke doelgroepen. Hoorn, Westerdijk, stedelijk wonen aan het water. Foto Pieter Musterd

Voorbeelden van woonmilieus die 'passen als een jas' bij specifieke doelgroepen. Hoorn, Westerdijk, stedelijk wonen aan het water . Foto Pieter Musterd

Huishouddynamiek in de Metropoolregio Amsterdam

Kijken we naar verhuisgedrag samen met veranderingen in huishoudsituatie, dan zien we aanzienlijke verschillen tussen mensen. Simpel gezegd passen verschillende levensfasen bij verschillende woonmilieus. Dit lijkt niet verrassend: uiteraard hebben jonge alleenstaanden doorgaans andere woonvoorkeuren dan gezinnen met kinderen. Maar ons onderzoek brengt vaak genuanceerde ruimtelijke verschillen aan het licht, met opmerkelijke verschillen van buurt tot buurt. Bovendien kan het verhuisgedrag van groepen die ogenschijnlijk veel op elkaar lijken, behoorlijk verschillen. Het totaalplaatje is een fijnmazig mozaïek van buurten met verschillende functies voor mensen in verschillende gezinssituaties.

Een voorbeeld uit de Amsterdamse metropoolregio maakt dit duidelijk.[2] Nieuw gevormde koppels zonder kinderen verhuizen naar aanzienlijk andere typen buurten dan al wat langer bestaande koppels zonder kinderen (vergelijk Figuur 1 en 2). Nieuw gevormde koppels verhuizen overwegend naar centraal-stedelijke buurten, vooral in Amsterdam maar ook in Haarlem. Al bestaande koppels zonder kinderen vertonen daarentegen een meer suburbane oriëntatie bij verhuizen. In beide gevallen bevindt zich een combinatie van goedkopere en duurdere buurten onder de populaire bestemmingen.

Een dergelijke afstemming tussen woonmilieu en gezinssituatie kan als positief beschouwd worden. Huishoudens hebben verschillende wensen, behoeften en voorkeuren en het is belangrijk dat deze bediend worden. Vanuit dit oogpunt, kun je zeggen dat de ‘gemiddelde’ of optimaal gemengde buurt niet bestaat.

Versterkte segregatie

De gevonden differentiatie in woonvoorkeuren is echter alleen positief wanneer zowel hogere als lagere inkomensgroepen goed bediend worden in de regio. Een liberale woonpolitiek kan er toe leiden dat de match tussen woonmilieu en huishoudsituatie sterker wordt, zeker voor hogere inkomens, met nog duidelijkere (ruimtelijke) verschillen in verhuisgedrag, maar kan ook leiden tot minder keuze bij anderen. Mogelijk negatieve uitwerkingen van meer ‘vrije’ keuze– voor zowel huishouden als maatschappij- komen vooral aan het licht wanneer we verhuisgedrag in combinatie met sociaaleconomische positie, en verandering daarin, analyseren.

Om het risico op nieuwe segregatie te illustreren, kijken we naar het verhuisgedrag van mensen die hun baan hebben verloren. Deze mensen bevinden zich vaak in een bijzonder zwakke positie, aangezien zij in kort tijdsbestek hun woonsituatie aan hun verslechterde inkomenssituatie moeten aanpassen. Hun verhuisgedrag schetst daarom een beeld van de meest toegankelijke en betaalbare buurten van een regio – vluchtheuvels als het ware. Voorheen – voor de economische crisis van 2008 – waren er voor hen nog dergelijke vluchtheuvels beschikbaar binnen de gemeentegrenzen van Amsterdam (Figuur 3). De Amsterdamse woningmarkt kenmerkt zich na de crisis (ongeveer na 2013) echter in toenemende mate door onbetaalbaarheid en ontoegankelijkheid (Hochstenbach, 2017). Dit is zeker het geval in de centrale, vooroorlogse buurten van de stad. Inmiddels zijn dergelijke “vluchtheuvel” buurten bijna geheel verdwenen uit de stad, en ontstaan er nieuwe in kernen elders in de regio zoals Zaanstad, Almere en Lelystad (zie ook Hochstenbach & Musterd 2018).

In een context van liberalisering zullen de sociaaleconomisch zwakste huishoudens in toenemende mate veroordeeld zijn tot uitsluitend de goedkoopste buurten. Voor hen is samenklontering dan ook niet zozeer het product van keuze, maar eerder van een gebrek daaraan.

Arme buurten zijn op zichzelf niet problematisch. Relatief arme maar betaalbare buurten vervullen een belangrijke rol binnen steden. Zij kunnen ruimte bieden aan lage inkomens, nieuwkomers en jongeren en vervullen daarmee een belangrijke functie. Het probleem ontstaat wanneer huishoudens nadeel ondervinden van het daar wonen, bijvoorbeeld omdat ze te ver van potentieel bij hen passende banen wonen. Dit zal meer het geval zijn naar mate goedkope buurten naar de randen van de regio gedrukt worden. Een ander probleem zou zijn als dergelijke buurten in zijn geheel zouden verdwijnen, zonder dat er elders meer betaalbare en toegankelijke woonopties toegevoegd worden. Dan zou er voor lage inkomens, inclusief laagbetaalde arbeidskrachten, geen plek meer zijn.

Figuur 1 Woonmilieus die over de gehele periode (2004-2016) een functie vervullen voor nieuw gevormde koppels zonder kinderen. Bron: SSB, eigen berekeningen.

Figuur 2 Woonmilieus die over de periode 2004-2016 een functie vervullen voor stabiele koppels zonder kinderen. Bron: SSB, eigen berekeningen.

Figuur 3 Woonmilieus die voor (2005-2008) en/of na (2013-2015) de crisis een functie vervullen voor baanverliezers. Bron: SSB, eigen berekeningen.

Een garderobe aan woonmilieus

Bovenstaande empirische illustraties laten zien dat liberalisering van de woningmarkt voor sommigen gewenste keuzevrijheid kan opleveren. Vooral hogere inkomens kunnen de woonomgeving beter laten aansluiten op hun wensen. Maar er kunnen eveneens sterkere vanuit maatschappelijk oogpunt ongewenste concentraties ontstaan. In ons onderzoeksproject stellen wij daarom een nieuw denkkader voor, waarbij sturen op differentiatie centraal staat. De gedachte is dat een regio met een grote variatie aan woonmilieus vermoedelijk meer kans biedt op het soepel bijeen brengen van vraag en aanbod dan een regionale woningmarkt waarin de ‘gemiddelde buurt’ de toon aangeeft. Tegelijkertijd moet er gestuurd kunnen worden om ongewenste concentraties en sterke segregatie tegen te gaan. In de praktijk betekent dit keuze op een laag schaalniveau (straten en buurten) mogelijk maken, door verschillende woontypen en woonmilieus te realiseren, maar op wijkniveau menging zoveel mogelijk te waarborgen. Menging is dan de optelsom van verschillende woonmilieus.

Dit betekent in de praktijk dat we keuze op een laag schaalniveau kunnen faciliteren maar menging op wijkniveau moeten waarborgen.

Een aanzet tot het volgen van deze denklijn is gegeven in het boek “de Buurt als Jas” (Musterd e.a., 2015). In die studie is nagegaan op welke woonmilieus uiteenlopende huishoudens georiënteerd zijn, en hoe veranderingen in gezinssituatie deze oriëntatie beïnvloeden. Het streven is dat de buurt moet passen ‘als een jas’ bij het huishouden. Van belang is dat huishoudens niet stabiel zijn, maar aan verandering onderhevig. Na enige tijd heeft een huishouden wellicht een nieuwe ‘jas’, of buurt, nodig die past bij de nieuwe situatie. De buurt heeft kortom een functie voor een huishouden in een specifieke fase van het leven.

Uiteraard moet ook een totaalbeeld voor de gehele regio worden verkregen. Welke buurten/jassen heeft de regio als geheel? Is het een fraaie garderobe, waar voor alle typen huishoudens voldoende verschillende buurten beschikbaar zijn? Om dit te waarborgen voor zowel lage als hoge inkomens is actieve sturing waarschijnlijk noodzakelijk.

Conclusie

Een woonbeleid gericht op de buurt als jas in een regio als garderobe sluit aan bij het meer ruimte geven aan huishoudens om hun eigen woonmilieu-oriëntatie vorm te geven op verschillende momenten in het bestaan van hun huishouden. Die ruimte voor individuele huishoudens is voor velen een groot goed en in dat opzicht is een beleidsfilosofie volgens geschetste lijnen een route die potentieel veel bijdraagt aan de kwaliteit van wonen in de stad. Echter, de keuze van de een is een beperking van de ander (met minder middelen) en de optelsom van individueel gedrag van velen kan ook leiden tot ongewenste segregatie en concentratie van typen huishoudens en/of kansarmen. Betrokkenen kunnen die concentraties wellicht zelf niet willen; maar ook kunnen er door de concentraties nieuwe problemen opdoemen. Als huishoudens gevangen raken in de buurt, is gericht beleid gewenst. Maar afgezien daarvan kan segregatie ook een probleem vormen als het zich op grote schaal manifesteert en als concentraties van bijvoorbeeld kansarmen, of geïsoleerde ouderen, omvangrijk worden en extra negatieve effecten genereren. Ook dat lijkt voorkomen te moeten worden. Dat betekent echter niet dat er geen relatief homogene woonmilieus zouden kunnen worden ontwikkeld. Zolang die niet tot de genoemde problemen leiden en niet tot vervreemding van verschillende huishoudens, lijkt er veel voor te zeggen. Het is niet ondenkbaar dat relatief homogene, van elkaar verschillende buurten kunnen worden ingebed in heterogene stedelijke wijken, waarbinnen men allerlei voorzieningen met elkaar deelt. In die dubbele ruimtelijke setting krijgt men de homogeniteit die men wil, en vermijdt men vervreemding, afstand en andere negatieve buurteffecten.

Noot

Het onderzoek naar de Regio als Garderobe is mede mogelijk gemaakt door financiële bijdragen van Corpovenista, de gemeenten Almere en Amsterdam, de Metropoolregio Eindhoven en Woonbedrijf Eindhoven woningstichting De Leeuw van Putten.

Referenties

[1] In ons onderzoeksproject maken we gebruik van data van het Systeem van Sociaal-statistische Bestanden (SSB) van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Met deze data kunnen wij individuen volgen, en zo hun verhuisgedrag, huishoudsituatie en inkomenspositie analyseren. Zie Hochstenbach e.a. (2018) voor een gedetailleerdere methodologische verantwoording.

[2] We kijken naar de Metropoolregio om aan te sluiten op het bestaande bestuurlijke schaalniveau. Dit laat onverlet dat het ruimtelijk gedrag van huishoudens niet altijd aansluit op deze afbakening (zie Tordoir e.a. 2015).

Literatuur

Górczy?ska M. (2017) Social and housing tenure mix in Paris intramuros, 1990–2010. Housing Studies, 32(4), 385-410

Hochstenbach, C. (2017) Inequality in the gentrifying European city. Amsterdam: Proefschrift Universiteit van Amsterdam.

Hochstenbach, C., & Musterd, S. (2018) Gentrification and the suburbanization of poverty: changing urban geographies through boom and bust periods. Urban Geography, 39(1), 26-53.

Hochstenbach, C., Van Gent, W. & Musterd, S. (2018) Structural and cyclical shifts in regional dynamics of life course. Paper op aanvraag.

Kleinhans, R. (2004) Social Implications of Housing Diversification in Urban Renewal: A Review of Recent Literature. Journal of Housing and the Built Environment, 19(4), 367-390.

McPherson, M., Smith-Lovin, L. & Cook, J.M. (2001) Birds of a feather: Homophily in social networks. Annual Review of Sociology, 27(1), 415–444.

Musterd, S., Teernstra, A., Van Gent, W. & Dukes, T. (2015)  De Buurt als Jas; dynamische huishoudens in de veranderlijke stad. Amsterdam: Amsterdam University Press.

Musterd, S. Van Gent, W., Das, M. & Latten, J. (2016) Adaptive Behaviour in Urban Space; Residential Mobility in Response to Social Distance. Urban Studies, 53(2), 227–246.

Popkin, S.J., Levy, D.K., Harris, L.E., Comey, J., Cunningham, M.K. & Buron, L.F. (2004) The Hope VI Program: What About the Residents? Housing Policy Debate, 15(2), 385-414.

Sampson, R.J. (2012) Great American City; Chicago and the Enduring Neighbourhood Effect. Chicago, IL: University of Chicago Press.

Schelling, T. (1971) Dynamic models of segregation. Journal of Mathematical Sociology, 1, 143–186.

Tordoir, P., Poorthuis, A. & Renooy, P. (2015) De veranderende geografie van Nederland. De opgaven op mesoniveau. Amsterdam: Regioplan.

Tunstall, R. & Lupton, R. (2010) (with members of the Mixed Communities Initiative evaluation team) Mixed Communities; Evidence Review. London: Department for Communities and Local Government, London School of Economics.

Reacties

xMet het invullen van dit formulier geef je Ruimte en Wonen en relaties toestemming om je informatie toe te sturen over zijn producten, dienstverlening en gerelateerde zaken. Akkoord

Copyright 2019 Aeneas Media

Deze website maakt gebruik van cookies. Meer informatie AccepterenWeigeren