Kennisnetwerk over de leefomgeving

Rijk geeft weer richting
Paul Gerretsen, Evamarije Smit

woe 21 maart 2018
artikel

Volgens eigen zeggen is de kersverse directeur generaal Omgevingswet (BZK), Erik Jan van Kempen van nature een ongeduldig mens. Hij popelt om aan slag te gaan met de NOVI waarvan hij de hoofdlijnen voor de zomer in de Kamer en het kabinet besproken wil hebben. Met ruimte en wonen onder een dak bij BZK komt de ruimtelijke ordening weer op een hogere politieke agenda te staan. Van Kempen: "Daar waar het hoort in mijn beleving."

“De noodzakelijke transities hebben echt een enorme ruimtelijke impact waardoor je wel kunt stellen dat Nederland een grote verbouwing te wachten staat. Deelt u die zienswijze?”
“Ik zie vooral dat er van ons wordt gevraagd positie te nemen en weer opvattingen te hebben over die grote opgaven. Mede overheden vragen het rijk richting te geven omdat er heel veel moet gebeuren. Ik denk dat we nu begrijpen dat de decentralisatie van de afgelopen 20 jaar laat zien dat er plekken zijn waar het rijk inderdaad de regie moet nemen. Je ziet dat zonder richting van het rijk op sommige plekken er kansen onbenut blijven of er impasses blijven vast zitten die doorbroken kunnen worden.”

“Kunt u aangeven waarover opvattingen gewenst zijn?”
“Het hele Randstad gebied, Utrecht en de MRA, met name voor wonen en bereikbaarheid. Het zou mooi zijn als we met zijn allen vanuit een ruimtelijke opvatting (en soms ook met een opvatting op een klein specifiek gebied) verder aan gebiedsontwikkeling doen, liever dan dat we het volledig aan het vrij spel der krachten overlaten. Het bereikbaarheidsvraagstuk in deze gebieden en het infrafonds lijken vaak een soort dwingende motor te zijn maar zelf zou ik liever de ruimtelijke ontwikkeling van heel Nederland als een gelijkwaardig en misschien wel boven geschikt onderwerp zien. Bereikbaarheid gaat over een ruimtelijke opvatting over de inrichting van heel Nederland; waar wij wonen, leven en werken en hoe wij zorgen dat er ontsloten wordt. Dus eigenlijk komt eerst vraag: hoe ziet een land eruit? Ik denk dat we nu de ruimte hebben en de noodzaak om daar wat losser over na te denken; een gebiedsvisie moet je niet laten bepalen door het feit of er bijvoorbeeld 50 miljoen is gereserveerd in het infrafonds voor een bepaalde weg. Ik hoop met de NOVI dat voor elkaar te krijgen met elkaar, zeker omdat de ruimtelijke ordening nu binnen BZK ligt. Heel Nederland doet er daarbij toe, want we verdienen door heel Nederland ons geld en aandacht moet niet alleen gaan naar groei, de bouw van woningen en knelpunten in bereikbaarheid. Ook bijvoorbeeld de energietransitie, natuur, landbouw en krimp vragen om een visie en betrokkenheid van het rijk.”

“Ik begrijp dat het strategisch handig is dat de NOVI naar BZK is verhuisd maar is het niet een achteruitgang omdat er door de ontkoppeling met infrastructuur een grote afstand wordt gecreëerd?”
“Ik denk dat je aan transparantie in afwegingen kunt winnen doordat er nu een minister en een departement is die over ruimtelijke ordening gaat. In het parlementair debat wordt dat zichtbaar en is het niet meer voorgehouden aan één departement, zoals voorheen binnen I&M, waar er gewichten zijn binnen de verschillende beleidsterreinen. Dus de afweging zal nog steeds gemaakt moeten worden maar nu op een hoger politiek niveau, daar waar het ook thuis hoort.”

“Wat betekent dat voor de rol van de minister van BZK, Kajsa Ollongren, in het MIRT?”
“In het gebruikelijke voorjaarsoverleg van het MIRT zal de minister ook een grote rol spelen bij het maken van gebiedsplannen. We gebruiken dit overleg om los te komen van alleen die individuele financiële beslissingen over bepaalde wegen of knelpunten. Eigenlijk zeggen we tegen alle stakeholders: weet dat we hierna nog een gesprek hebben over wat we nu in de huidige kabinetsperiode of met het huidige beschikbare geld kunnen doen maar eerst willen we samen een visie ontwikkelen op het gebied. Juist nu BZK los staat van het Infrafonds kun je naar mijn idee ruimte creëren voor jezelf; binnen het kabinet maar ook met de mede overheden.” 

“De afgelopen 10 à 15 jaar hebben we het gevoel gehad dat Nederland wel af was. Nu ervaren we het tegenovergestelde, kijkend naar de enorme opgaven en transities die op ons afkomen. Wat is hierin de betekenis van de NOVI?”
“Je kunt de NOVI zien als een visie op alles voor de eeuwigheid, maar in mijn beleving heeft dat niet zoveel zin. Mijn voorkeur gaat uit naar een NOVI waarin we enkele actuele ruimtelijke dilemma’s op tafel leggen om daarin de keuzes te kunnen maken. Ik hoop dat we dit jaar enkele sleutelgebieden en sleutelprojecten kunnen aanwijzen waar het rijk een opvatting over heeft. Uiteraard projecten met ruim voldoende draagkracht en een hoge mate concrete toepasbaarheid. Volgend jaar kunnen we weer andere accenten leggen. Het gaat erom dat de NOVI bruikbaar is voor de ruimtelijk ontwikkeling van Nederland en dat hoeft geen blauwdruk te zijn voor de eeuwigheid.”

“U zegt dus dat de NOVI voor de komende 20 jaar geen richting en doel geeft maar meer een praktisch instrument wordt. Krijgt het een programma-achtige lijn?”
“Zeker. Je moet natuurlijk zorgen dat het kader op abstractieniveau staat en dat er wel een zeef in zit waarop je afwegingen kunt maken. De NOVI moet ook wel stabiel zijn en niet in het luchtledige blijven hangen omdat alle omgevingsagenda’s er wel op moeten kunnen aansluiten. Het lijkt mij handig om binnen die stabiliteit bepaalde dilemma’s binnen het kabinet op te lossen. Sommige dilemma’s kun je in de ene kabinetsperiode niet oplossen maar in een volgende periode wel. Daar moeten we niet al te krampachtig over doen.”

“Een grote kwestie is hoe je omgaat met het cultuurlandschap en de functionaliteiten daarvan. Tegelijkertijd gaat ook over de afnemende biodiversiteit, bodemdaling, landbouwtransitie, CO2 reductie en klimaatadaptatie. Dat is de grote integrale vraag. Gaat de NOVI daar antwoord opgeven?”
“De NOVI gaat hopelijk een aantal dilemma’s neerleggen waar het kabinet keuzes over moeten maken. Dat zal soms nog best ingewikkeld zijn; in het regeerakkoord staat dat de openbare ruimte in beginsel de fysieke leefomgeving van Nederland is en daarmee van grote waarde. Daarbij denk ik dat we niet te verkrampt moeten doen over natuur met hoofdletters. We hebben unieke natuur die we moeten beschermen. Evenals cultuurlandschap zoals het Groene hart wat je wilt bewaren maar soms moet je ook andere ruimtelijke keuzes mogen maken. Ik hoop dat we niet te veel heilig hebben verklaard.”

“Nu dan een echte kwestie, de energietransitie. Er zijn allerlei initiatieven ontplooid maar als je alles bij elkaar optelt, komen we er niet. Daarnaast kun je je afvragen wat we overhouden van ons land. Hoe kijkt u daar naar?”
“Soms moet je op nationaal niveau zeggen dat we die energietransitie elders gaan doen, geconcentreerd in plaats van dat iedere lokaliteit het moet gaan bedenken omdat er een specifieke opgave ligt. We hebben natuurlijk met de ETS potentieel goede ervaringen gehad met het verhandelen van emissierechten. In potentie is dat een uitstekend systeem maar de uitvoering heeft niet goed gewerkt. Je ziet nu bij de sluiting van kolencentrales versus elektriciteit produceren in bruinkool gestookte centrales in Duitsland, dat moeder Aarde er niet best van afkomt.”

“Hoe kijkt u aan tegen vernieuwingen in governance; we hebben nieuwe spelregels nodig die uitnodigen tot ander gedrag.”
“Daar zitten twee kanten aan. ETS is gewoon prijsprikkels; dat is de econome manier om de samenleving tot gewenst gedrag aan te zetten maar dat is altijd onderdeel van de oplossing. Uiteindelijk geloof ik in de meer bestuurlijke kant, de normerende kant; je kunt samen besluiten wat je met elkaar wilt. De gebouwde omgeving is voor een deel nationaal en daar kunnen we veel dwingender zijn met normeringen. Als je kijkt naar de energieprestatie normen, doen we dat ook.”

“Rekenaars benadrukken overigens dat er genoeg investeringsruimte is in de corporatiesector. Eens?”
“De wensen zijn ook groot. Het geld moet beschikbaar zijn voor huurmatiging, renovatie en nieuwbouw. We vragen heel veel van corporaties. Als je kijkt naar de energiedoelstelling, gaat het hele vermogen van corporaties daaraan op en hebben nog niets gedaan aan de andere zaken. Maar corporaties willen graag. Ze zijn weer terug op het maatschappelijke front, waar ze thuis horen. Ze waren natuurlijk in een moeilijke hoek terecht gekomen maar ik zie nu alle reden om ze helemaal terug op het speelveld te brengen”.

“Je ziet in veel gemeenten een hernieuwde zoektocht om de samenwerking met corporaties aan te gaan. Ziet u dat ook?”
“Klopt en dat is gezond. Ik vind ook dat gemeenten veel meer private partijen moet opzoeken en niet alleen corporaties. Gemeenten moeten hun horizon verbreden. Misschien draagt het ook echt bij aan de kwaliteit die je kunt krijgen maar het vraagt veel meer coördinatie. De samenwerkingstafels over middenhuur van Rob van Gijzel bracht al die partijen bijeen en je merkt dat dat werkt. Maar het is complexer; het vergt meer afstemming en coördinatie.”

“Moet er een financieel fonds komen om die middenhuur maar ook het binnenstedelijk bouwen een slinger te geven?”
“Dat is een aanbeveling van Van Gijzel. Als marktpartij zeg je denk ik altijd ja tegen overheidsgelden in de vorm van een fonds of subsidie. Soms kan het helpen, bijvoorbeeld om het tempo op te schroeven. Misschien zijn er daarom wel dingen denkbaar maar de politiek zal daarvoor middelen beschikbaar moeten stellen. Dat laat ik aan hen over.”

“Een van de kritische geluiden is dat gemeenten hun grondposities niet als ´cashcow´ zouden moeten inzetten, herkent u dat?”
"Schaarste kan aantrekkelijk zijn voor gemeenten. Ik vind het zelf onzuiver als grondgebruik je cashcow is. Dat raakt een bredere discussie maar ik hoop dat we proberen om grond te alloceren en dat we kijken naar het rendement voor de ingezetenen van je stad. Je moet daar dieper en langjariger over nadenken en je niet blindstaren op het moment dat je de grond kunt verzilveren.  Maar wat ik vooral wil is een stabielere ruimtelijke ontwikkeling in plaats van de op en neer gang waar we nu steeds in lijken te zitten, op die woningmarkt. Ik ambieer vastere bodem onder de voeten: een stabielere ontwikkeling van beschikbare plancapaciteit zodat er op hele specifieke A locaties minder en eindeloos gespeculeerd wordt. Er moet ruimte komen waarin dingen zich evenwichtiger kunnen ontwikkelen. En daar moet de NOVI bij gaan helpen.”

 
 
 
 
 

Reacties

xMet het invullen van dit formulier geef je Ruimte en Wonen en relaties toestemming om je informatie toe te sturen over zijn producten, dienstverlening en gerelateerde zaken. Akkoord

Copyright 2018 Aeneas Media

Deze website maakt gebruik van cookies. Meer informatie AccepterenWeigeren