Kennisnetwerk over de leefomgeving

Tussen tent en villa. Het vakantiepark in Nederland 1920-nu David Peleman, UGent, Vakgroep Architectuur & Stedenbouw

vrij 27 nov 2015

‘Recreëer of ik schiet’, is een artikel van de Nederlandse psycholoog Freek Coeterier dat in 1973 verscheen in het tijdschrijft TABK. Coeterier bracht daarin een kritische analyse van de groeiende functiescheiding tussen wonen en vakantie, en wees op het sluimerend gevaar dat daaraan gekoppeld was voor het verlies van een ‘thuis’ als de vaste plek waarop zich een volledig bestaan kon enten dat zowel dagelijks leven als vakantie omhelsde.[1]

Zowat vier decennia later zijn we volledig ingedommeld in een van recreatie en vakantie doordrongen wereldbeeld. De uitspraak ‘Recreëer of ik schiet’ is volkomen van haar dreigingskracht ontdaan en kan hoogstens nog als boutade dienstbaar zijn om de stedelijke conditie in grote delen van West-Europa samen te vatten, waar de recreatieve industrie een gepriviligieerde hefboom gebleken is voor het concipiëren van de stad. Recent nog werd in een analyse van de Belgische stad Genk de vraag gesteld of de inwoners er ooit met vakantie gaan, en het antwoord luidde als volgt: ‘Waarom zouden ze eigenlijk? In hun voortuin hebben ze met het Molenvijverpark een groene long waar zelfs een metropool jaloers op mag zijn en in hun achtertuin strekt zich het Nationaal Park Hoge Kempen uit, een wandel- en fietsparadijs van duinen, heide, venen en bossen.’[2]

Evolutie

De evolutie van vakantie als uitzonderlijk en gebald moment van recreatie dat volledig buiten de normaliteit van alledag viel, naar het vakantiepark als gesublimeerde afspiegeling van het alledaagse bestaan, waarbij stad en vakantiepark in toenemende mate inwisselbaar zijn, staat centraal in het boek Tussen tent en villa. Daarin schetst Mieke Dings de mutatie van het Nederlandse vakantiepark van 1920 tot heden. Ze doet dat door de geschiedenis dik uit te smeren als een gelaagd verhaal dat voortgestuwd wordt door uiteenlopende maatschappelijke, economische en politieke tendensen. In het boek zijn deze gedocumenteerd aan de hand van een opzienbarende hoeveelheid materiaal dat bestaat uit verslagen van toeristenverenigingen, tijdschriften, nota’s uit diverse beleidsdomeinen, plannen en brochures van vakantieparken uit verschillende tijdsfragmenten. De uitkomst is een kroniek die geenszins betracht om de geschiedenis te reduceren tot haar meest memorabele momenten en in het oog springende vakantieparken. Het boek laat de geschiedenis in al haar complexiteit bestaan, als een opeenhoping van talloze kleine weetjes, fragmenten, citaten her en der bijeen gevist, die vervolgens op een doelmatige manier in stelling gebracht worden. Die doelmatigheid is chronologisch van aard en valt uiteen in drie grote hoofdstukken die inzicht bieden in de totstandkoming van diverse soorten campings en vakantiedomeinen in Nederland, maar ook in de evolutie van het begrip vakantie dat daaraan ten grondslag ligt: ‘Vakantiepark als vlucht uit het stadsleven’ (1920-1960), ‘Vakantiepark als tweede woning voor iedereen’ (1960-1980), ‘Vakantiepark als optimaal belevingseiland’ (1980-nu). Het is een geschiedenis die aanvangt bij het comfortabel kampeerterrein en langs de ideale woonomgeving heen verder evolueert tot een mediterrane illusie of een streekeigen nederzetting. Elk hoofdstuk sluit af met een beknopte toelichting bij enkele remarquabele vakantieparken die de wijzigende opvattingen over vakantie illustreren.

Evidentie

Vandaag is vakantie echter zo’n evidentie geworden, dat we het bijzonder karakter van vakantie(parken) vaak overzien en vergeten hoe relatief nieuw dit fenomeen is. In de lijst van eeuwenoude nederzettingsvormen die de bezetting van het territorium gestalte gaven ­— zoals steden, dorpen, havens, hoeves en kloosters — zijn de camping en het vakantiepark relatieve nieuwkomers. In de loop van de twintigste eeuw verschenen ze geleidelijk aan de stedelijke horizon in het spoor van de eerste burgerlijke exploraties in toerisme en als neveneffecten van industrialisatie en arbeidsdeling. Hoewel de notie van vakantie ondertussen gemeengoed geworden is, blijft de ruimtelijke neerslag ervan een wat moeilijk te categoriseren fenomeen, zoals Dings uiteenzet in de conclusie van het boek. De moderne ruimtelijke planning, die zowat parallel aan vakantie het daglicht zag, maakte in haar herschikking van het territorium dan wel plaats voor groene ruimte voor recreatie en vrijetijd, voor vakantie daarentegen was geen afzonderlijke ruimte voorzien in het keurslijf van de moderne stad die op morele gronden beoogde te rationaliseren en te normaliseren. Misschien had dat iets te maken met de oorsprong van vakantie als ‘kamperen’ en als uitzondering – iets wat aan normalisatie ontsnapt. ‘To camp’ is volgens Van Dale immers niet alleen een kwestie van ‘tenten opslaan’ of ‘zich verzamelen’, maar ook van ‘overdrijven’. In de roman Nooit meer slapen (1966) liet Willem Frederik Hermans met een trefzekere zin over overdrijving een kampeeravontuur in het Hoge Noorden bijzonder dramatisch aflopen. Jacques Tati bracht de lichtzinnige overdrijving van vakantie treffend in beeld in Les Vacances de Monsieur Hulot (1953), waar de alledaagsheid van Monsieur Hulot op prettig onwennige wijze de perfect georkestreerde scenografie van de kleinburgerlijke vakantie onderuit haalt.

Overdrijving

Deze overdrijving, die van oorsprong uitzonderlijk en schaars was, is in de loop van de twintigste eeuw op grote schaal en op kunstmatige wijze gereproduceerd in de vakantieparken voor de massa. Die parken bezetten vaak plaatsen in het landschap die uniek waren, wat herhaaldelijk resulteerde in de teloorgang en verloedering van het authentieke cultuurlandschap. Het is deze erfenis van het vakantiepark als ruimtelijk verstorend en ongepast element die tot op heden de perceptie en het debat kleurt in termen van ruimtelijke ordening. Zonder twijfel is het zo dat het vakantiepark in veel gevallen de voordelen van een bepaalde ruimtelijke context exploiteerde en functioneerde als een omgeving die ‘de voordelen van het stadsleven [had] omarmd en de nadelen geëlimineerd’, als een soort parasiet.[3] Tegelijkertijd was het vakantiepark in veel gevallen ook — vaak onbewust — een stedelijk laboratorium, waar mensen verzamelden, zich verenigden, en socialiseerden op basis van de meest uiteenlopende fenomenen: een diepvriesmaaltijd van Iglo[4], de aanwezigheid van ‘een natuurschoon, dat de dikte heeft van een toneeldecor’[5], een plek waar mensen ‘s avonds in de balzalen en theaters van het vakantiepark plots stadskledij gaan dragen.[6]

Deze vreemdsoortige vormen van socialisering komen in het boek van Mieke Dings uitgebreid aan bod en ze vormen gegronde argumenten om het vakantiepark, dat ooit een vooruitstrevend sociaal laboratorium was maar nu door de recreatieve stad bijgebeend is, au sérieux te nemen als een volwaardige maar ‘andere’ stedelijke omgeving en deze misschien zelfs amnestie te verlenen.

Tussen tent en villa. Het vakantiepark in Nederland 1920-nu

Mieke Dings, nai010 uitgevers, Rotterdam, 2015

Isbn 9789462080744, 420 pp, € 39,50

Noten

1             Dings, 288.

2             Joseph Pearce in De Standaard, 4/10/2008. Geciteerd in: Joeri De Bruyn (red.), Genk, Rasterstad (Mechelen: Public Space Publishers, 2015), 58

3             Dings, 227.

4             Dings, 223.

5             Dings, 220-221.

6             Dings, 227.

Reacties

Tussen tent en villa. Het vakantiepark in Nederland 1920-nu

Recensies

Copyright 2019 Aeneas Media

Deze website maakt gebruik van cookies. Meer informatie AccepterenWeigeren