Kennisnetwerk over de leefomgeving

Verschillende kleuren Overijssel
Janneke Wessels

ma 3 juli 2017
artikel

Al jaren waarschuwen onderzoeksbureaus SCP, WRR en PBL ervoor: de verschillen nemen toe. Verschillen tussen jong en oud, arm en rijk, hoog- en laagopgeleid, maar ook tussen gebieden. In dit artikel ga ik op zoek naar antwoorden op de vragen: Wat als de verschillen te groot worden? En, wat kun je dan als provincie doen? Hierbij zoem ik in op de provincie Overijssel. Een provincie waar groei en krimp naast elkaar bestaan en waar mensen nog voor elkaar en hun leefomgeving zorgen.

De banen in Zwolle groeien anderhalf keer sneller dan in de rest van Nederland (De verdeelde triomf, PBL 2016). Ook dorpen in Overijssel doen het verrassend goed. De stabiel groeiende gemeente Rijssen-Holten werd in 2016 zelfs uitgeroepen tot meest MKB-vriendelijke gemeente van Nederland. Toch heeft ook Overijssel gebieden waar het minder gaat. Bijvoorbeeld in Twente, waar de bevolkingsgroei in gemeenten als Hof van Twente, Dinkelland, maar ook in stedelijke gemeenten als Hengelo en Almelo al enkele jaren krimpt (Statline, 3 mei 2017). Daar komt bij dat steden als Almelo en Enschede, in vergelijking met Zwolle, al jaren kampen met een zwakke sociaaleconomische positie (Atlas van gemeenten). Trendbureau Overijssel heeft recent de groeiende tegenstellingen onderzocht. Algemene begrippen als ‘stad’ of ‘land’ blijken niet adequaat, maar verschillen worden wel degelijk groter.

Het gebied Salland langs de IJssel van Zwolle tot Deventer, beeld: Job Boersma

Is dat erg?

Op zich niet, immers: verschillen zorgen ook voor variatie. Overijssel moet het misschien zelfs wel hebben van verschillen: Het gevarieerde coulisselandschap in Twente en het vlakke polderland in de Kop van Overijssel. De hoogten van de Sallandse Heuvelrug en het laagveen in de Weeribben. Hanzesteden en dorpen naast elkaar.

Het is de omgeving die Overijssel kleurt en het zijn de Overijsselaars zelf die van oudsher voor hun leefomgeving zorgen en voor elkaar. De kent de provincie de rijke tradities van Wanneperveen, het Raalter oogstfeest Stöppelhaene en de nuchtere en trotse Tukkers van Twente die het woord ‘mantelzorg’ niet in de mond nemen, maar het ‘gewoon doen’. Het karakteristieke ‘noaberschap’ waarbij mensen elkaar kennen en helpen als er problemen zijn, is van enorme betekenis voor de leefbaarheid van Overijssel. Maar wat als je geen aansluiting vindt bij een gemeenschap?

Probleem?

Verschillen zijn een probleem wanneer je ongelijke kansen hebt op onderwijs, stages en (bij)scholing, werk en deelname aan de samenleving. Of wanneer de 'onderkant' van de samenleving door de bodem zakt en onder het niveau belandt dat wij nog maatschappelijk aanvaardbaar vinden. Elk individu moet zich boven de maatschappelijk aanvaarde drempelwaardes bevinden (Chiappero-Martinetti & Moroni 2007). (Stedelijke) ongelijkheid en de toename ervan heeft negatieve gevolgen voor maatschappelijke doelen voor de samenleving zoals economische groei, sociale stabiliteit, gezondheid en democratie (Stiglitz 2012; Wilkinson & Pickett 2009).

Hanzestad Deventer, beeld Gerard Dubois

Wat kunnen we eraan doen?

De overheid moet voorwaarden scheppen voor goed onderwijs, voldoende werk en inkomen, passend wonen en beschikbare en bereikbare voorzieningen. Het Rijk heeft belangrijke taken in het bieden van opleidingskansen en inkomensondersteuning. Provincies hebben kerntaken in de regionale economie, ruimtelijke ontwikkeling en regionale bereikbaarheid. En de gemeenten zijn verantwoordelijk voor zorg, werk en jeugdhulp. Je zou zeggen dat we, samen met onze democratie, alles in huis hebben om iets te doen aan ongewenste verschillen.

Maar waar te beginnen? Of moet ik zeggen: waar pakken we de handschoen weer op? Immers: het overheidsbeleid is jaren gericht geweest op het verkleinen van verschillen in welvaart tussen regio’s (Allers, 2017). In economisch achterblijvende gebieden werd geïnvesteerd (WRR, 2013). Ook in Overijssel. De Universiteit Twente, die de negatieve effecten van de ineenstorting van de textielindustrie moest compenseren, is hiervan een goed voorbeeld. En het moet gezegd: Enschede doet het relatief goed.

Is het zinvol om opnieuw te investeren in zwakke regio's? Of is het voldoende om, met onderwijs en (bij)scholing, arbeidsmarkt- en inkomensbeleid en ondersteuning van mensen die niet meekomen, de basis op orde te houden? Gericht op de middengroepen (WRR, Engbersen) of juist op de bovenkant, om de onderkant mee te trekken? (De verdeelde triomf, PBL 2016).                                                                

Het antwoord is: ja, dat kan. Laat ik het bij mezelf houden. Ik ben opgegroeid in de Achterhoek en heb onderwijs genoten op een kleine scholengemeenschap met een beperkte keuze in vakkenpakketten. Door bijwerkcursussen kon ik alsnog doorstromen naar het Hoger Technisch Onderwijs, maar dat was niet voor iedereen weggelegd. Dus ja; door beter onderwijs kunnen meer mensen uiteindelijk met een prima salaris winkelen in de binnenstad van Deventer en de dag besluiten met een hapje en een drankje in het Havenkwartier. Hierdoor blijft er werk voor lager of ongeschoolde werknemers. Zo snijdt het mes aan twee kanten.

Ruimtelijke kwaliteit is geen luxe

Of we ons nu richten op de onderkant, het midden of de bovenkant, beleid moet in de eerste plaats gericht zijn op het ondersteunen van mensen die dat nodig hebben. Ruimtelijke maatregelen  verbeteren de sociaal-economische positie van mensen niet, maar gebiedsgericht beleid kan wel effectief zijn. Daarbij is ruimtelijke kwaliteit geen luxe, maar maatschappelijke noodzaak. Ruimtelijke kwaliteit moet inspelen op de identiteit van plekken en op het gevoel van gebruikers en bewoners.  Het krijgt meerwaarde wanneer er van meet af aan ook aandacht is voor sociale kwaliteit: het betrekken van inwoners, organisatie, lokale en collectieve kennis. Kortom: beginnen bij de opgave, inspelen op de identiteit van de plek en aansluiten bij de energie die er is. Dat zijn precies de dingen waarvoor we bij de provincie moeten zijn.

Sterker maken wat al sterk is

Provincies zijn samen met gemeenten en initiatiefnemers als geen ander in staat om in te spelen op de kracht van de regio. Ofwel: sterker maken wat al sterk is. Zo geeft de gemeente Deventer nieuwe betekenissen aan haar pleinen en aan de functie van de binnenstad. De Brink en het Grote Kerkhof, het nieuwe Stationsplein en het Vogeleiland, het Worpplantsoen en het Havenkwartier zijn stuk voor stuk uitnodigende publieke ruimten waar mensen met verschillende achtergronden elkaar ontmoeten, sporten, eten en muziek maken. En er komt nog meer aan: de Stadshof die opengesteld wordt, ‘kansen panden’,  waar de ‘Stadsbeweging’ zorgt voor begeleiding van beginnende ondernemers . Hier worden verschillen overbrugd. De toegevoegde waarde zit hem in de samenhang, de synergie en het vliegwieleffect dat een project kan hebben voor andere, lokale initiatieven. Dit vraagt van de overheid geen verdelende rechtvaardigheid of taakopvatting, maar samen optrekken en scherpe keuzes maken voor projecten die het grootste effect hebben en als vliegwiel kunnen functioneren voor een nog groter gebied.

Een ander mooi voorbeeld is het Overijsselse programma Sociale Kwaliteit. Daarmee wordt vanuit de samenleving gewerkt aan projecten die bijdragen aan zelfstandig leven, gezond bewegen en ‘noaberschap’. Met als focus delen en leren, ervaren en handelen. Het zijn de goede gesprekken en slimme verbindingen die zorgen voor oplossingen die werken. Door bijvoorbeeld initiatiefnemers die vanuit hun eigen organisaties werken aan meer bewegen voor mensen met een beperking of dementie, samen te brengen. Maar ook door ontmoetingen te stimuleren tussen bewoners van zorginstellingen en de buurt. En voor uitwisseling van kennis is er de Alliantie Sociale Kwaliteit.

Conclusie

Het Rijk kan met beter onderwijs en doelgroepgericht inkomensbeleid de toenemende ongelijkheid in opleidingskansen en werk in de kiem smoren. Provincies kunnen met gebiedsgericht beleid en sterke, uitvoeringsgerichte programma’s verschillen helpen te verkleinen. Door de basis op orde te houden, door sterker te maken wat al sterk is en door samen op te trekken met gemeenten en initiatiefnemers. Overijssel doet dat. En iedereen profiteert daarvan: de onderkant, het midden en de bovenkant. Ik ook.

Janneke Wessels, programmamanager Omgevingsvisie Overijssel/projectleider MIRT en NOVI - ‎Provincie Overijssel

 

Heeft u dit artikel met interesse gelezen?

Word dan nu lid van Ruimte en Wonen en krijg onbeperkt toegang tot alle artikelen, én het archief van Tijdschrift voor de Volkshuisvesting en S+RO. U ontvangt daarnaast het kwartaalmagazine Ruimte en Wonen en exclusieve uitnodigingen voor de ledenbijeenkomsten.

Word nu lid

Reacties

xMet het invullen van dit formulier geef je Ruimte en Wonen en relaties toestemming om je informatie toe te sturen over zijn producten, dienstverlening en gerelateerde zaken. Akkoord

Copyright 2018 Aeneas Media

Deze website maakt gebruik van cookies. Meer informatie AccepterenWeigeren